Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD9126

Datum uitspraak2002-04-12
Datum gepubliceerd2002-04-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/215HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Mr. Hartkamp nr. C00/215HR zitting 25 januari 2002 Conclusie inzake [Eiser] tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) Deze zaak is de voortzetting van de procedure die heeft geleid tot HR 15 maart 1996, NJ 1997, 3 m.nt. E.J.H. Schrage. Ik verwijs voor de feiten en de achtergrond van de zaak naar dat arrest en de conclusie van A-G Koopmans. Het gaat thans om de vaststelling van de schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking die de eiser tot cassatie, [eiser], aan de verweerder in cassatie, [verweerder], verschuldigd is. 2) Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de schadevergoeding, na daaromtrent een deskundigenbericht te hebben gelast, vastgesteld in zijn arrest van 19 april 2000. 3) Tegen deze beslissing heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij stelt daartoe een uit vier (motiverings)klachten opgebouwd middel van cassatie voor. [Verweerder] heeft tot verwerping geconcludeerd en de zaak schriftelijk toegelicht. Bespreking van het cassatiemiddel 4) Onderdeel 1 komt op tegen r.o. 4, slot, van 's hofs arrest. Met "r.o. 4, slot" wordt kennelijk gedoeld op de laatste volzin van die rechtsoverweging. Ik meen dat de klacht faalt omdat zij niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv. Subsidiair meen ik dat de klacht faalt omdat 's hofs overweging niet onbegrijpelijk is. Voorzover het onderdeel beoogt op te komen tegen het feit dat het hof de apotheek heeft gewaardeerd per 1 januari 1983 volgens de door het hof gehanteerde maatstaf (de waarde op basis van de toen geldende, binnen de kring van apotheekhoudende huisartsen aanvaarde waarderingsgrondslagen met betrekking tot doktersapotheken), stuit de klacht bovendien hierop af, dat die waardering voortbouwt op de eindbeslissing in het arrest van 25 mei 1994 (r.o. 3), waartegen [eiser] bij zijn eerdere cassatieberoep niet is opgekomen (zie HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432). 5) De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen r.o. 8 onderscheidenlijk r.o. 12 van het bestreden arrest. Deze klachten worden m.i. tevergeefs voorgesteld, omdat zij opkomen tegen beslissingen van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden. 6) Onderdeel 4 faalt omdat het niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv. Het onderdeel beroept zich immers op een stelling van feitelijke aard (waarop het hof niet naar behoren zou hebben gerespondeerd), zonder aan te geven waar deze in de gedingstukken te vinden is. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

12 april 2002 Eerste Kamer Nr. C00/215HR SB Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaten: mrs. R.S. Meijer en T.H. Tanja-van den Broek, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. M.V. Polak. 1. Het verloop van het geding tot dusver Voor het verloop van het geding tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 15 maart 1996, nr. 15930, NJ 1997, 3. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het beroep tegen tussenarresten van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 juni 1993 en 25 mei 1994 verworpen. Na deskundigenbericht ingevolge het tussenarrest van 14 december 1994 heeft het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 19 april 2000 het vonnis van de Rechtbank te Assen van 23 oktober 1990, waarvan beroep, vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 40.853,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 1987, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het arrest van het Hof van 19 april 2000 is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen laatstvermeld arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [Verweerder] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 552.34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 april 2002.