
Jurisprudentie
AD9213
Datum uitspraak2002-04-16
Datum gepubliceerd2002-04-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00916/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-04-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00916/01
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Nr. 00916/01
Mr Wortel
Zitting: 5 februari 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft verzoeker wegens "niet voldoen aan een wettelijke verplichting tot aangifte van geboorte" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Verzoeker heeft tijdig een door hem zelf opgestelde cassatieschriftuur ingediend waarin zijn grieven tegen het vonnis zijn uiteenzet.
3. Ik merk allereerst op - ten behoeve van verzoeker, die in deze procedure kennelijk niet door een advocaat is bijgestaan - dat de Hoge Raad niet in een zelfstandig onderzoek van de feiten kan treden. Bij het onderzoek in cassatie is alleen aan de orde of de rechter die de zaak eerder heeft beoordeeld het recht juist heeft toegepast en essentiele procedurele voorschriften in acht heeft genomen. Het antwoord op die vraag is grotendeels afhankelijk van hetgeen blijkens de stukken van het geding aan die rechter is voorgelegd.
Dientengevolge wordt als een cassatiemiddel in de zin van art. 437 Sv alleen aangemerkt een stellige en duidelijk klacht betreffende de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Bovendien kan in cassatie niet voor het eerst een beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden waaromtrent bij de behandeling ter terechtzitting in feitelijke aanleg, voor zover uit de stukken valt op te maken, niets is vastgesteld of ten minste aangevoerd.
4. De eerste grief betreft het gebruik als bewijsmiddel van de door verzoeker ter terechtzitting afgelegde verklaring, en valt in twee bezwaren uiteen.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 1999 heeft verzoeker aldaar verklaard:
"A. Ik erken op de plaats en de tijd als in de dagvaarding vermeld niet te hebben voldaan aan mijn wettelijke verplichting tot aangifte bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Amersfoort van de geboorte van mijn zoon [...].
B. Ik heb op 3 december 1997 wel schriftelijk (aangetekend) aangifte gedaan van de geboorte van mijn zoon. Ik zie niet in waarom ik verplicht ben een paspoort of zoiets dergelijks aan te schaffen voor een aangifte. Ik heb aangifte gedaan, maar de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft geweigerd mijn zoon in de registers in te schrijven."
5. Enerzijds wordt aangevoerd dat de weergave van verzoekers verklaring onder A niet overeenstemt met hetgeen hij in werkelijkheid ter terechtzitting heeft gezegd.
Anderzijds wordt het bezwaar opgeworpen dat de Rechtbank ten onrechte alleen het onder A weergegeven deel van die verklaring voor het bewijs heeft gebruikt, omdat dit deel van verzoekers verklaring strijdig zou zijn met het onder B weergegeven gedeelte.
6. Ingevolge art. 326, tweede lid, Sv behelst het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de verklaring van (onder meer) de verdachte. Weergave van die zakelijke inhoud betekent dat de griffier het gesprokene in de kern samenvat en dit als verklaring van de betrokkene in het proces-verbaal opneemt. Behoudens klemmende aanwijzingen voor het tegendeel moet er vanuit gegaan worden dat de strekking van een ter terechtzitting afgelegde verklaring op juiste wijze is weergegeven. Aan de enkele bewering dat die weergave niet juist is, zonder dat wordt gewezen op de aanknopingspunten in het dossier die deze stelling kunnen schragen, zal voorbij gegaan moeten worden. Daarop moet het eerste bezwaar in deze klacht afstuiten.
7. Ook het tweede bezwaar kan geen doel treffen. Nog daargelaten dat een tegenstrijdigheid in een verklaring niet meebrengt dat één der conflicterende onderdelen daarvan niet voor het bewijs te gebruiken is, behoeven de onder A en B weergegeven gedeelten van verzoekers verklaring niet te worden opgevat als met elkaar onverenigbaar. Kennelijk moet het onder A weergegeven deel daarvan aldus begrepen worden dat verzoeker desgevraagd heeft verklaard dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting aangifte van geboorte te doen, op de wijze zoals ter terechtzitting ter sprake is geweest, en vervolgens heeft verklaard dat hij van mening is desalniettemin op een wettelijk toelaatbare wijze die aangifte te hebben gedaan.
Weliswaar wordt in de volgende grief betwist dat de wettelijke voorschriften ten aanzien van het doen van aangifte van geboorte de verplichting inhouden waarop het onder A weergegeven deel van verzoekers verklaring kennelijk betrekking heeft, maar een tegenstrijdigheid behoeft in de bedie onderdelen van die verklaring niet gezien te worden.
8. In de tweede grief wordt opgemerkt dat art. 448 Sr weliswaar straf stelt op het niet voldoen aan de wettelijke verplichting aangifte van een geboorte te doen, maar dat die bepaling niet inhoudt dat die aangifte "op de voorgeschreven wijze" gedaan dient te worden, zoals in de tenlastelegging vermeld.
Ik vat de grief aldus op dat de Rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de in art. 448 Sr strafbaar gestelde overtreding wordt begaan door niet persoonlijk voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen teneinde de aangifte te doen, en om die reden ten onrechte het bewezenverklaarde als een strafbaar feit heeft aangemerkt.
9. Deze grief raakt aan de reden waarom verzoeker is vervolgd. Verzoeker heeft de geboorte-aangifte schriftelijk willen doen. Hij heeft zich blijkens de stukken steeds op het standpunt gesteld dat uit de wettelijke regeling niet voortvloeit dat een aangifte van geboorte slechts kan worden gedaan door persoonlijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen.
Verzoeker leidt dit, blijkens de toelichting op deze klacht, af uit art. 1: 18a BW, waarin is bepaald dat partijen bij een akte van de burgerlijke stand degenen zijn die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een aangifte doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen betreffende een feit waarvan de akte moet doen blijken. Verzoeker leest deze bepaling aldus dat er twee mogelijkheden zijn: ofwel ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring afleggen, ofwel een aangifte doen waarbij persoonlijke verschijning geen voorwaarde is.
10. Deze opvatting is al eens aan de Hoge Raad voorgelegd. In HR NJ 1968, 359 heeft de Hoge Raad op wetshistorische gronden aangenomen dat de aangever in persoon voor de ambtenaar van de burgerlijke stand dient te verschijnen om aangifte van geboorte te doen. Deze uitspraak had betrekking op de voorlopers van de in het huidige Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen bepalingen. Ik zie noch in de tekst van de nu geldende bepalingen, noch in de parlementaire geschiedenis daarvan enige aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd een andere regeling te treffen dan voordien gold. Integendeel onderstreept het thans in art. 1: 19e, zevende lid, BW opgenomen voorschrift (de ambtenaar moet de identiteit van de aangever vaststellen) dat een aangifte alleen bij persoonlijke verschijning gedaan kan worden. Er is derhalve geen reden om anders te oordelen dan in HR NJ 1968, 359 is geschied.
Terecht heeft de Rechtbank geoordeeld dat verzoeker, door niet persoonlijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen om de aangifte te doen, heeft nagelaten te voldien aan de in art. 1: 19e, tweede lid, BW omschreven verplichting, en dat deze nalatigheid de in art. 448 Sr strafbaar gestelde overtreding oplevert.
De grief faalt.
11. De derde grief houdt in dat de officier van justitie ten onrechte de tenlastelegging mondeling heeft uitgebreid, waardoor er feiten bij het strafproces zijn betrokken die reeds zijn verjaard.
12. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld.
Verzoeker wijst op een (als bijlage 12 bij de schriftuur gevoegd) schrijven waarin hij er namens de officier van justitie op is gewezen dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de wijze waarop de aangifte van geboorte moet worden gedaan, aangezien de kwestie ook na de geboorte van zijn eerste zoon aan de orde is geweest.
Die mededeling impliceert niet dat ook verzoekers nalatigheid bij de aangifte van de geboorte van zijn eerste zoon is toegevoegd aan de in deze zaak uitgebrachte tenlastelegging.
Overigens blijkt uit de stukken van het geding niet van een vordering tot aanvulling of wijziging van de tenlastelegging.
13. De vierde grief begrijp ik aldus dat de Rechtbank heeft verzuimd te responderen op de door verzoeker gevoerde verweren.
Verzoeker verwijst naar een schriftuur ingevolge art. 410 Sv. Een geschrift, gedateerd 28 juni 1999, houdende verzoekers grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis bevindt zich bij de stukken.
De rechter is in beginsel alleen verplicht een afzonderlijke beslissing te geven op verweren die ter terechtzitting zijn voorgedragen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting - de dwingende kenbron ten aanzien van hetgeen aldaar is voorgevallen - of uit daarin genoemde 'pleitaantekeningen' zal moeten blijken van zulk ter terechtzitting voeren van verweren. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat verzoeker zijn, in de 'appèlschriftuur' opgeworpen, bezwaren aldaar heeft herhaald.
De grief kan derhalve geen doel treffen.
14. De vijfde grief houdt in dat de rechtbank is voorbijgegaan aan misbruik van procesrecht door de officier van justitie. Dat misbruik zou er in gelegen zijn dat de officier van justitie eerst zeventien maanden na de "schriftelijke geboorteaangifte", en nadat verzoeker zich er over had beklaagd dat verzoekers zoon niet in de registers van de burgerlijke stand was ingeschreven, heeft besloten vervolging in te stellen, en voorts dat de officier van justitie toen al het voornemen had de verjaarde zaak betreffende het niet niet (op de voorgeschreven wijze) aangeven van de geboorte van verzoekers eerste zoon alsnog in deze strafzaak te betrekken.
15. Nog daargelaten dat uit de stukken niet blijkt dat de officier van justitie de tenlastelegging in deze zin heeft willen uitbreiden, faalt deze klacht om dezelfde reden als de vierde grief. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat verzoeker het verweer heeft gevoerd dat de officier van justitie zijn bevoegdheden heeft misbruikt. Voor zover thans wordt betoogd dat de officier van justitie zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld door te veel tijd te laten verstrijken, wordt een bezwaar opgeworpen dat een feitelijk onderzoek noodzakelijk maakt, en om die reden niet in cassatie voor het eerst kan worden aangevoerd.
16. De zesde grief behelst een breedvoerig onderbouwd bezwaar tegen de legitimatieplicht die voortvloeit uit art. 1: 19e, zevende lid, BW, waarin is bepaald dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de hand van een document als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht de identiteit vaststelt van degene die de aangifte doet.
17. Ter zijde merk ik op dat in dit betoog een misvatting voorkomt. Verzoeker stelt dat uit de parlementaire stukken betreffende de herziening van de vierde titel van Boek 1 BW volgt dat art. 1: 19e, zevende lid, BW een verplichting inhoudt voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, maar niet voor verzoeker (de aangever). De door verzoeker aangehaalde passage (Kamerstukken II, 1992/1993, 21 847, nr 16, p. 2) ziet evenwel op het achtste lid van art. 1: 19e BW: de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand zich bij de aangifte van geboorte een medisch attest te doen overleggen. Ten aanzien het zevende lid van art. 1: 19e BW heeft daarentegen te gelden dat de wetgever juist in een verplichting voor de ambtenaar heeft voorzien de identiteit van de aangever vast te stellen.
18. Wat daar echter van zij: deze grief bevat geen stellige en duidelijke klacht tegen een beslissing van de rechter die is genomen in, dan wel heeft gevoerd tot, de bestreden uitspraak. De klacht is daarom niet aan te merken als een cassatiemiddel, als bedoeld in art. 437 Sv, dat zich leent voor beoordeling door de Hoge Raad.
19. Dat geldt ook voor de zevende grief, waarin wordt gesteld dat het niet inschrijven van het kind in de registers van de burgerlijke stand ernstige risico's voor de gezondheid van dat kind meebrengt, en dat deze handelwijze in strijd is met artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Deze klacht richt zich tegen het optreden van de ambtenaar van de burgerlijke stand, en niet tegen de bestreden uitspraak.
20. Voor zover de aangevoerde grieven cassatiemiddelen bevatten falen die. Zij kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
16 april 2002
Strafkamer
nr. 00916/01
HJH/EdK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 2 december 1999, nummer 16/400359-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Amersfoort van 17 juni 1999 - de verdachte ter zake van "niet voldoen aan een wettelijke verplichting tot aangifte van geboorte" veroordeeld tot het betalen van een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het als Grief 2 aangeduide middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft veroordeeld wegens overtreding van art. 448 Sr aangezien hij bij brief aangifte heeft gedaan van de geboorte van zijn zoon en art. 448 Sr niet, zoals in de tenlastelegging en de bewezenverklaring is opgenomen, het bestanddeel bevat dat die aangifte op de voorgeschreven wijze moet geschieden.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in de periode van 1 december 1997 tot en met 4 december 1997 in de gemeente Amersfoort niet op de voorgeschreven wijze heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichting tot aangifte (zoals bedoeld in artikel 19e, lid 2, boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Amersfoort, voor het register van geboorte, van de geboorte van zijn, verdachtes, op 1 december 1997 geboren zoon, genaamd [de zoon].
3.3. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 en 10.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 16 april 2002.

