Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD9275

Datum uitspraak2001-10-18
Datum gepubliceerd2002-02-14
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200104598/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200104598/1. Datum uitspraak: 18 oktober 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 6 september 2001 in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, verzonden per fax op 14 september 2001 en bij de Raad van State binnengekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Bij faxbericht van 21 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend. Bij brief van 24 september 2001 heeft appellant desgevraagd de omstandigheden aangegeven die de overschrijding van de hoger-beroepstermijn hebben veroorzaakt. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. De aangevallen uitspraak is blijkens het daarop geplaatste datumstempel verzonden op 6 september 2001, zodat de termijn voor het indienen van een hoger-beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is begonnen op 7 september 2001 en, gelet op artikel 69, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), is geëindigd op 13 september 2001. Appellant heeft het hoger-beroepschrift derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn ingediend. 2.1.1. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 105 van de Vw 2000 zijn met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen ingevolge de artikelen 94 tot en met 101, de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van overeenkomstige toepassing. Het betoog dat ingevolge artikel 105 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 588, eerste lid, van het Sv de beroepstermijn eerst aanvangt, nadat de aangevallen uitspraak aan appellant in persoon is uitgereikt, faalt nu een situatie, als omschreven in die bepaling, zich hier niet voordoet. Ingevolge het van toepassing zijnde artikel 585, eerste lid, van het Sv, voorzover thans van belang, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post. De aangevallen uitspraak is, overeenkomstig artikel 105 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 585, eerste lid, van het Sv, per post verzonden en de hoger-beroepstermijn is met ingang van de dag daarop aangevangen. Dat appellant, naar hij stelt, op het moment van verzending van de aangevallen uitspraak niet langer werd vertegenwoordigd door de raadsman die hem bij de behandeling van het beroep ter zitting als gemachtigde had bijgestaan - zodat de hoger-beroepstermijn niet is aangevangen na toezending aan die gemachtigde - leidt, wat hier ook van zij, niet tot het door hem met die stelling beoogde doel, nu appellant heeft nagelaten vóór die verzending de rechtbank van die omstandigheid op de hoogte te stellen. 2.2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Kallan Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2001 15-385. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,