
Jurisprudentie
AD9329
Datum uitspraak2002-04-19
Datum gepubliceerd2002-04-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/161HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-04-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/161HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Rolnummer C00/161
Mr Bakels
Zitting 25 januari 2002
Conclusie inzake
Zürich Verzekeringen
tegen
Marywood Management Ltd
1. Feiten en procesverloop
1.1In deze zaak stelt onderdeel I de vraag aan de orde of een verzekeraar met succes een beroep kan doen op verzwijging, zoals geregeld in art. 251 K, tegenover een derde-houder te goeder trouw van een verzekeringscertificaat aan toonder. Onderdeel II betreft de vraag of het in het geding zijnde verzekeringscertificaat kan worden aangemerkt als een waardepapier.
1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(a) Marywood heeft in december 1993 een overeenkomst gesloten met Vikiki(1) Produtovaya Magasin te Moskou, waarbij zij aan Vikiki salami en schouderham heeft verkocht ter waarde van US $ 91.050,=.
(b) Voor het vervoer van de vleeswaren heeft Marywood Seahopper Containerlines B.V. en Traconro Europe B.V., beiden gevestigd te Rotterdam, ingeschakeld. Tussen Seahopper en Traconro enerzijds en Marywood anderzijds is overeengekomen dat de vleeswaren, die waren opgeslagen in een trailer, op 16 december 1993 zouden worden ingeladen en vervolgens zouden worden vervoerd over de weg en over zee, via het traject Brussel-Gouda-Kiel-Klaipeda-Moskou.
(c) De trailer heeft Moskou pas op 3 juni 1994 bereikt. De etenswaren bleken toen bedorven te zijn zodat de lading waardeloos was geworden.
(d) Seahopper is begin juli 1994 in staat van faillissement verklaard. Zij heeft niet gereageerd op aansprakelijkheidsstellingen door Marywood.
(e) Vikiki heeft Marywood aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en Marywood aangesproken tot terugbetaling van het door haar voldane bedrag van US $ 91.050,= vermeerderd met rente en kosten, waaraan Marywood gevolg heeft gegeven.
(f) Seahopper en Traconro hebben, door bemiddeling van ABN-Amro verzekeringen B.V. te Zwolle, in 1992 als verzekeringnemer onder meer een goederentransportverzekering gesloten waarin Zürich voor 2% deelnam. Op deze polis geldt als verzekerde "aan wie het zou blijken aan te gaan". Deze verzekering dekt - kort gezegd - tegen verlies en schade.
(g) Op grond van deze transportverzekering is aan Marywood op 16 december 1993 een assurantiecertificaat aan toonder afgegeven voor een verzekerd bedrag van US $ 75.000,= voor het vervoer van de etenswaren over het traject Brussel - Moskou.
(h) Marywood heeft op 21 april 1994 het originele verzekeringscertificaat aan ABN-Amro verzekeringen toegezonden met het verzoek om de door haar geleden schade te doen vergoeden.
(i) De assuradeuren, waaronder Zürich, weigeren tot uitkering over te gaan. Tussen hen en Marywood is afgesproken dat de overige assuradeuren zich jegens Marywood aan de uitkomst in de procedure tussen haar en Zürich gebonden zullen achten.
1.3 Tegen deze achtergrond heeft Marywood de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Den Haag en gevorderd dat Zürich zal worden veroordeeld tot betaling aan haar van 25% van het bedrag van US$ 75.000,=, zijnde US$ 18.750, vermeerderd met de wettelijke rente en 25% van de buitengerechtelijke incassokosten.
Zij stelde zich daartoe op het standpunt dat zij door het bederven van de vleeswaren schade heeft geleden, welke gedekt is onder de op het assurantiecertificaat genoemde verzekering. Als houdster van het certificaat kan zij mitsdien aanspraak maken op de schadepenningen.
1.4 Zürich heeft de vorderingen van Marywood gemotiveerd betwist. Zij heeft zich daartoe primair op het standpunt gesteld dat Marywood geen verzekerd belang (meer) had bij de lading, omdat deze voor risico van de koper, Vikiki, is vervoerd. Daarnaast heeft Zürich zich beroepen op verzwijging omdat Traconro / Seahopper bij het aangaan van de onder 1.2(f) genoemde verzekeringsovereenkomst relevante informatie zouden hebben verzwegen, met name over het (faillissements)verleden van [betrokkene A], de man die Traconro beheerste, alsmede over de werkwijze van Traconro, haar personeel, vertegenwoordigers, materieel en samenwerkingsverbanden.
1.5 Bij vonnis van 30 oktober 1996 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de vorderingen van Marywood afgewezen. Zij overwoog daartoe dat het risico van de zending op Vikiki is overgegaan bij de inlading, zodat het verzekerde belang daarna niet langer bij Marywood berustte. Deze beslissing komt in cassatie echter niet meer aan de orde. Wél aan de orde komt het verweer van Zürich, dat zij in verhouding tot de verzekeringnemer, Traconro / Seahopper, een beroep op art. 251 K kan doen, welk beroep Marywood zich moet laten welgevallen, ook al was zij van de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden niet op de hoogte en ook al kan zij worden beschouwd als derde-houder van een toondercertificaat te goeder trouw. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Zij overwoog daartoe dat het certificaat aan te merken is als een waardepapier en dat het certificaat als afgeleide van de transportverzekering met de clausule "aan wie het zou blijken aan te gaan" voor de houder ervan dezelfde rechtsgevolgen heeft als een toonderpolis. Een verzekeraar kan zich tegenover de derde-houder van een polis aan toonder niet beroepen op hetgeen de verzekeringnemer mocht hebben verzwegen.
1.6 Tegen dit vonnis heeft Marywood appel ingesteld bij het hof te 's-Gravenhage. Zürich heeft incidenteel appel ingesteld ten aanzien van de verwerping van haar beroep op verzwijging. Het hof heeft bij arrest van 15 februari 2000 zowel in het principale als in het incidentele appel de grieven verworpen en het vonnis in eerste aanleg onder verbetering van gronden bekrachtigd.
Ten aanzien van het beroep op verzwijging overwoog het hof dat het toonder-certificaat, waarop als zodanig Marywood mocht afgaan, de onderhavige goederentransportverzekering belichaamt. Zo'n certificaat geldt als een waardepapier. Immers het certificaat is eenvoudig overdraagbaar, geldt als bewijs van verzekering en legitimeert de houder ervan, na plaatsgrijpen van het evenement, als verzekerde en gerechtigde tot uitkering onder de polis, zonder dat daarvoor overdracht van de daaronder liggende polis vereist is.
De aard van het certificaat als waardepapier brengt met zich mee dat de houder te goeder trouw daarvan moet kunnen afgaan op hetgeen hij op grond van dit stuk kan waarnemen en kennen, zodat hem niet kan worden tegengeworpen wat voor hem uit het papier niet kenbaar is of kan zijn, zoals in casu in hoeverre ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst de verzekeringnemer feiten tegenover verzekeraar heeft verzwegen die van belang zijn voor de inschatting van het te verzekeren risico en de acceptatie daarvan.
1.7 Tegen dit arrest heeft Zürich - hoewel materieel in het gelijk gesteld - op de laatst mogelijke dag cassatieberoep ingesteld.(2) Tegen Marywood is verstek verleend. Zürich heeft de zaak door haar advocaat schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel faalt in al zijn (sub)onderdelen op de gronden die ik heb uiteengezet in mijn heden genomen conclusie in de parallelzaak met rolnummer C 01/041. Ik verwijs naar die conclusie, die hier als ingevoegd geldt.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Zürich in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Van de zijde van Zürich is opgemerkt dat de naam Vikiki op een misverstand berust; de juiste naam zou Vikki luiden. Ik twijfel niet aan de juistheid van deze opmerking maar houd niettemin de door de rechtbank en het hof gebezigde naam aan.
2 De cassatiedagvaarding dateert van 15 mei 2000.
Uitspraak
19 april 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/161HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap naar Zwitsers recht ZÜRICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT A.G., in Nederland handelend onder de naam Zürich Verzekeringen, gevestigd te Zürich, Zwitserland, en kantoorhoudende te Leidschendam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging MARYWOOD MANAGEMENT LTD., gevestigd te Tortola,
Britse Maagdeneilanden,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Marywood - heeft bij exploit van 19 januari 1995 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Zürich - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Zürich te veroordelen tot betaling aan Marywood van US$ 18.750,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 1994, althans vanaf 5 mei 1994, althans vanaf 18 mei 1994, althans vanaf 3 juni 1994, althans vanaf 23 september 1994, althans vanaf de dag der dagvaarding, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad ƒ 2.016,10.
Zürich heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 30 oktober 1996 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft Marywood hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Zürich heeft een akte houdende verzet tegen de wijziging van de grondslag van de eis genomen en incidenteel appel ingesteld.
Het Hof heeft na verweer zijdens Marywood bij rolbeschikking van 28 augustus 1997 het verzet verworpen.
Bij arrest van 15 februari 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof heeft Marywood in de kosten van het principaal appel en Zürich in de kosten van het incidenteel appel veroordeeld.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Zürich beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen Marywood is verstek verleend.
Zürich heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Zürich in de kosten.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De in de onderdelen I a en I b van het middel neergelegde primaire klacht, gericht tegen de rechtsoverwegingen 28-29 van het bestreden arrest, is gelijk aan de klacht neergelegd in de onderdelen I a en I b van het middel dat is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 oktober 2000, rolnr. 98/242, waarvan de rechtsoverwegingen 18-19, met uitzondering van de naam van verweerster in cassatie, gelijkluidend zijn aan de rechtsoverwegingen 28-29 van het in dit geding bestreden arrest. In het tegen het arrest van 17 oktober 2000 ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad heden uitspraak gedaan. Het arrest is aan het onderhavige arrest gehecht. Hetgeen de Hoge Raad in dat arrest in rov. 3.4.2 en 3.4.3 heeft overwogen met betrekking tot genoemde onderdelen wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
De onderdelen I a en I b falen derhalve.
3.2 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad;
verwerpt het beroep;
veroordeelt Zürich in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Marywood begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 april 2002.

