Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD9423

Datum uitspraak2002-02-06
Datum gepubliceerd2002-02-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200005090/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Peilmoment beslissing omtrent bouwvergunning. Herroeping bouwvergunning en vrijstelling (19 WRO oud) omdat bouwplan in strijd is met het ten tijde van de beslissing op bezwaar van kracht zijnde bestemmingsplan. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat B&W bij het nemen van de beslissing op bezwaar ten onrechte het bouwplan hebben getoetst aan het op dat moment ter plaatse geldende bestemmingsplan "Soestdijk 1997" in plaats van aan het ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag op 19 juli 1993 en het nemen van het primaire besluit nog geldende bestemmingsplan "Soestdijk", waarvan door de gemeenteraad bij besluit van 19 januari 1995 vrijstelling was verleend voor realisering van het bouwplan. ABRS oordeelt dat uitgangspunt is dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Aan een ten tijde van de indiening bij de gemeente van een bouwaanvraag nog wèl, maar ten tijde van de beslissing daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging in bezwaar daarvan, niet meer geldend bestemmingsplan mag, bij wijze van uitzondering op dat uitgangspunt, slechts worden getoetst indien ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was. Gelet hierop, hebben B&W bij de beslissing op bezwaar het bouwplan terecht getoetst aan het bestemmingsplan "Soestdijk 1997", waarmee het in strijd is. Voor het maken van een uitzondering was hier geen plaats, omdat het bouwplan evenzeer in strijd was met het ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag en het nemen van het primaire besluit nog geldende bestemmingsplan "Soestdijk". Dat van dat plan vrijstelling was verleend door de gemeenteraad, maakt dat niet anders, reeds te meer nu deze vrijstelling nog niet onherroepelijk was. Burgemeester en wethouders van Soest. mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, J.H.B. van der Meer, P.J.J. van Buuren


Uitspraak

Raad van State 200005090/1. Datum uitspraak: 6 februari 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de besloten vennootschap Vahstal Probouw B.V., gevestigd te Amersfoort, appellante, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 7 augustus 2000 in het geding tussen: appellante en burgemeester en wethouders van Soest. 1. Procesverloop Op 19 juli 1993 is bij de gemeente Soest binnengekomen de aanvraag van appellante om bouwvergunning voor een gezinsvervangend tehuis, winkels, kantoren, appartementen en parkeervoorzieningen, op een perceel aan de Van Weedestraat te Soest, kadastraal bekend gemeente Soest, sectie K, nrs. 3509-3438 (ged.). Het bouwplan wordt hierna aangeduid als "De Lindenhof". Bij besluit van 15 september 1994 heeft de gemeenteraad van Soest (hierna: de gemeenteraad) geweigerd vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die wet luidde tot 3 april 2000, te verlenen van het toentertijd ter plaatse geldende bestemmingsplan "Soestdijk" voor De Lindenhof. Bij besluit van 19 januari 1995 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en met gebruikmaking van de daartoe op 2 augustus 1994 door gedeputeerde staten van Utrecht verleende verklaring van geen bezwaar alsnog vrijstelling verleend. Bij besluit van 26 januari 1995 hebben burgemeester en wethouders van Soest (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellante de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij uitspraak van 25 juni 1997 heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) de door W, de Vereniging van eigenaren Van Weedestraat-Dillenburglaan, .X, Y en anderen, allen wonend onderscheidenlijk gevestigd te Soest (hierna gezamenlijk: de omwonenden), tegen het besluit van de gemeenteraad van 19 januari 1995 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en die met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter behandeling als bezwaar tegen het besluit van 26 januari 1995 doorgezonden naar burgemeester en wethouders. Bij besluit van 17 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders de aan hen doorgezonden bezwaren en het door genoemde X bij hen rechtstreeks tegen het besluit van 26 januari 1995 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de vrijstelling en de bouwvergunning herroepen, omdat De Lindenhof in strijd is met het toen van kracht zijnde bestemmingsplan "Soestdijk 1997". Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 7 augustus 2000, verzonden op 18 september 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 20 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Witvoet, advocaat te Utrecht, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. K.C.P. Haagen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord een aantal omwonenden, bij monde van Z. Na de behandeling ter vermelde zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Onder verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer, is bepaald dat de zaak verder wordt behandeld op de zitting van 10 december 2001. Daar zijn appellante, vertegenwoordigd door vermelde mr. Witvoet en mr. E.M. van Zelm, advocaat te Utrecht, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door vermelde mr. Haagen, verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien, voorzover thans van belang, het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Indien geen vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan waaraan getoetst moet worden, vormt vermelde bepaling een dwingende grond voor weigering van de bouwaanvraag. 2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders bij het nemen van de beslissing op bezwaar ten onrechte De Lindenhof hebben getoetst aan het op dat moment ter plaatse geldende bestemmingsplan "Soestdijk 1997" in plaats van aan het ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag op 19 juli 1993 en het nemen van het primaire besluit nog geldende bestemmingsplan "Soestdijk", waarvan door de gemeenteraad bij besluit van 19 januari 1995 vrijstelling was verleend voor realisering van De Lindenhof. 2.2.1. Uitgangspunt is dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Aan een ten tijde van de indiening bij de gemeente van een bouwaanvraag nog wèl, maar ten tijde van de beslissing daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging in bezwaar daarvan, niet meer geldend bestemmingsplan mag, bij wijze van uitzondering op dat uitgangspunt, slechts worden getoetst indien ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was. Gewezen wordt hier bijvoorbeeld op de uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak van 29 september 1989 inzake nr. R03.89.12398/Sp75, gepubliceerd in AB 1991/169, en op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2001 inzake nr. 200002189/1, gepubliceerd in Gst. nr. 7151, 2. 2.2.3. Gegeven het vorenstaande, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval burgemeester en wethouders bij de beslissing op bezwaar De Lindenhof terecht hebben getoetst aan het bestemmingsplan "Soestdijk 1997", waarmee dat, naar ook niet in geschil is, in strijd is. Voor het maken van een uitzondering op vermeld uitgangspunt was hier geen plaats, omdat De Lindenhof evenzeer is strijd was met het ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag en het nemen van het primaire besluit nog geldende bestemmingsplan "Soestdijk". Dat van dat plan vrijstelling was verleend door de gemeenteraad, maakt dat niet anders, reeds te meer nu deze vrijstelling nog niet onherroepelijk was. De stelling van appellante dat burgemeester en wethouders haar ten onrechte niet in kennis hebben gesteld van het in procedure brengen van het nieuwe bestemmingsplan, terwijl dit in haar nadeel was gewijzigd, kan verder, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, ook niet tot het oordeel leiden dat aan dat bestemmingsplan niet mocht worden getoetst. Gewezen zij in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 16 december 1999, inzake nr. E01.98.0221/P11, waarin is geoordeeld dat appellante niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht, waarbij dat bestemmingsplan is goedgekeurd. 2.2.4. Het betoog van appellante dat burgemeester en wethouders niet aan het goede bestemmingsplan hebben getoetst, faalt derhalve. Ingevolge vermeld artikel 44 van de Woningwet konden burgemeester en wethouders dan ook niet anders dan, zoals zij hebben gedaan, bij de beslissing op bezwaar de bij hun primaire besluit verleende bouwvergunning herroepen en die alsnog weigeren. De Afdeling merkt daarbij nog op dat toepassing van de anticipatieprocedure niet mogelijk was, omdat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet was voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten. 2.3. Appellante betoogt tenslotte tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het vertrouwensbeginsel burgemeester en wethouders noopte tot de verlening van de bouwvergunning. Wat er zij van hetgeen appellant daaromtrent naar voren heeft gebracht, de werking van dat beginsel strekt niet zover dat op grond daarvan in strijd met de wet een bouwvergunning kan worden verleend. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat. Bij verhindering van de ambtenaar van Staat: w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Roelfsema Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2002 27. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,