
Jurisprudentie
AE1303
Datum uitspraak2002-04-05
Datum gepubliceerd2002-04-10
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 79/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-04-10
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 79/01
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 79/01 5 april 2002
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, na verwijzing bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 10 januari 2001, nummer 35.944, waarbij op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 januari 2000 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de belastingkamer van dat hof van 22 oktober 1999 betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen, aanslagnummer D000/L0/99/000/BPM, genoemde uitspraak is vernietigd met verwijzing van het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van voormeld arrest.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Aan belanghebbende is voormelde naheffingsaanslag opgelegd.
De inspecteur heeft met dagtekening 25 juni 1999 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar.
De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof. De voorzitter van de belastingkamer van het gerechtshof heeft bij beschikking van 22 oktober 1999 het beroep van belanghebbende wegens het in gebreke blijven met de betaling van het door haar verschuldigde griffierecht niet-ontvankelijk verklaard.
Vervolgens heeft het gerechtshof het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard bij uitspraak van 21 januari 2000.
De belanghebbende heeft tijdig tegen de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij voormeld arrest de evengenoemde uitspraak vernietigd en het geding terugverwezen voor verdere afhandeling naar het gerechtshof te Leeuwarden.
Het gerechtshof heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de verwijzing van de zaak een memorie in te dienen. De belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 21 mei 2001 is de inspecteur door het gerechtshof in de gelegenheid gesteld een memorie in te dienen van welke gelegenheid de inspecteur gebruik heeft gemaakt . De memorie is op 14 juni 2001 bij het gerechtshof binnengekomen. Afschrift van deze memorie is op 18 juni 2001 ter kennisneming aan belanghebbende verzonden.
Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 28 februari 2002, gehouden te Leeuwarden, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende alsmede de inspecteur.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij het voornoemde arrest de uitspraak van het gerechtshof vernietigd onder de overweging dat de motivering van de uitspraak niet toereikend is, aangezien niet aan de hand van het bewijsstuk van aangetekende verzending kan worden vastgesteld dat de accept-girokaart inderdaad is verzonden, en het bestaan van een bepaalde werkwijze niet uitsluit dat daarbij fouten worden gemaakt. Voorts constateert de Hoge Raad dat het gerechtshof niet heeft vastgesteld of het aan de belanghebbende kenbaar kon zijn dat de enveloppe meer stukken behoorde te bevatten.
3. De overwegingen:
Belanghebbende heeft op de zitting van 28 februari 2002 nogmaals gesteld dat hij de accept-girokaart niet heeft ontvangen.
Het hof is van oordeel dat niet met voldoende zekerheid valt aan te nemen dat de betreffende accept-giro daadwerkelijk met de verzuimbrief is meegestuurd. In dit verband is van belang dat aan de belanghebbende ook niet kenbaar is gemaakt dat de enveloppe meer stukken behoorde te bevatten.
4. De conclusie.
Het verzet is gegrond. Belanghebbende dient alsnog in de gelegenheid te worden gesteld het verschuldigde griffierecht te betalen.
5. De beslissing.
Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet gegrond.
Gedaan op 5 april 2002 door mr. Pruiksma, vice-president, mr. Huiskes en mr. Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits, in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.
Op 10 april 2002 afschrift
aangetekend verzonden aan beide
partijen.
De griffier van het Gerechtshof
te Leeuwarden.