Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE4425

Datum uitspraak2002-05-31
Datum gepubliceerd2002-06-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers01/1842
Statusgepubliceerd


Indicatie

Buitengewone lastenaftrek afschrijving auto in verband met ziekte en invaliditeit gehonoreerd. Hof is niet bevoegd te oordelen over verrekening uit hoofde van de Invorderingswet. Geen toekenning smartengeld of schadevergoeding: inspecteur is bij de aanslagregeling terecht op basis van de door hem aangevoerde gronden afgeweken van de ingediende aangifte en gronden op basis waarvan belanghebbende in het gelijk wordt gesteld zijn allen eerst in de bezwaar- en beroepsfase naar voren zijn gebracht.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad, verweerder. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 11 juni 2001. Belanghebbende heeft het beroepschrift aangevuld bij schrijven van 12 juli 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 8 mei 2001, betreffende de ten name van belanghebbende bij wege van nota met dagtekening 5 september 1997 geheven leges. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de nota gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de geheven leges tot nihil. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin dat het beroep niet gegrond is en verzoekt het Hof aldus te beslissen. Ter zitting van 14 februari 2002 zijn verschenen belanghebbende en, namens verweerder, (…). Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en, inclusief acht bijlagen, overgelegd. Verweerder heeft van de bijlagen kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten. De bijlagen bij de pleitnota worden tot de gedingstukken gerekend. Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 28 februari 2002. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 11 maart 2002 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 22 maart 2002 van belanghebbende het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht, € 36, heeft belanghebbende tijdig voldaan. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Op 24 juli 1997 heeft belanghebbende bij de gemeente Zaanstad een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend. De aanvraag is ondertekend door belanghebbende en, op de plaats waar op het aanvraagformulier ruimte is voor de 'Handtekening eventuele gemachtigde', voorzien van een stempel van architektenburo A BV te C. De gemeente Zaanstad heeft de aanvraag in behandeling genomen. De bouwvergunning is tot op de dag van de zitting niet verleend. 2.2. Onderdeel 7. van het aanvraagformulier voor de bouwvergunning luidt als volgt: "7. Kosten van het bouwwerk: a. Aannemingssom (zie UAV 1989, par. 1, lid 1): ? fl _____ (excl. BTW) of, indien nog niet bekend: b. Raming van de bouwkosten (zie NEN 2631, uitg. 1979, par. 3.2, dus incl. CV-, airco- en liftinstallaties, e.d.; voor woonwagen: incl. aflever- en plaatsingskosten) ? fl _____ (excl. BTW)" Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende op de lijn rechts naast het tweede pijltje "800.000,-" getypt. 2.3. Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van de bovengenoemde vergunning is ten name van belanghebbende een aanslag legesheffing met dagtekening 5 september 1997 ten bedrage van ƒ 18.565 opgelegd. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende tijdig een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de aanslag gehandhaafd. 3. Geschil In geschil is of de onderhavige aanslag legesheffing terecht is opgelegd. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding en naar de door belanghebbende overgelegde pleitnota. Ter zitting hebben partijen daaraan - zakelijk weergeven - het volgende toegevoegd. Belanghebbende: Vanaf 1979 worden vergunningen mij consequent geweigerd. Dat is een opzetje van de gemeente Zaanstad en monumentenzorg. De auteur van het krantenartikel op bijlage A bij de pleitnota is een oud-rechter te D en een oud-rechercheur. Ik ken hem uit de tijd dat ik ambtenaar was bij de gemeente C. Daar werd omgekocht en geknoeid. Bijlage B bij de pleitnota is de aanslag van 5 september 1997. Bijlage C is een aanmaning. De slotzin van bijlage D houdt in dat ik toch geen vergunning krijg. Bijlage E is een kaart. Nummer 00 is omcirkeld. Ik wil bouwen op het perceel met nummer 00. De a-weg is een winkelstraat. Bijlage F is een voorbereidingsbesluit. De heer E is afgehaakt. Bijlage G is een brief. Ook in 1979 heb ik al een aanvraag gedaan en later nog één. De gemeente Zaanstad heeft mij achteraf pas over de leges geïnformeerd. In C betaalde je pas als de vergunning daadwerkelijk verleend was. Dat ik leges moet betalen was me onbekend. Ik heb geen folder of iets dergelijks gekregen. Daardoor ben ik de mist in gegaan. Ik ben niet aan de balie geweest. De architect heeft met papieren gezonden die ik moest tekenen. Hij heeft me niets over leges verteld. De architect is de ontwerper van het plan. Verweerder: Het gaat om leges en het gaat om een aanvraag. Bij een weigering is het mogelijk dat een restitutie van 40% plaatsvindt. Bij de aanvraag wordt belanghebbende over de leges voorgelicht. Het verschil tussen ƒ 800.000 in de aanvraag en ƒ 940.000 in de aanslag betreft BTW. Zie § 17.9 van de Tarieventabel. Er is - en dat was in 1997 ook al zo - een toetsingsprocedure mogelijk zonder dat leges verschuldigd worden. De afdeling Bouw en Wonen verschaft daarover informatie bij de aanvraag. Zo'n mogelijke procedure vindt plaats in overleg met belanghebbende. Als onherroepelijk komt vast te staan dat geen vergunning wordt verleend, krijgt de aanvrager 40% terug. Belanghebbende moet om zo'n restitutie verzoeken. Belanghebbende heeft uitstel van betaling tot het Hof uitspraak doet. De vervolgingskosten worden kwijtgescholden. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Artikel 1 van de Legesverordening 1997 van de gemeente Zaanstad (hierna: de Verordening) luidt: "Onder de naam "leges" worden rechten geheven ter zake van het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel" Artikel 3 van de Verordening luidt: "Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend." Artikel 4 van de Verordening luidt onder meer: "1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. (…)." De Tarieventabel behorende bij de Verordening (hierna: de Tarieventabel) luidt onder meer als volgt: "Paragraaf 17 WONINGWET, BOUWVERORDENING EN WET OP DE RUIMTELIJKE ORDENING (…) 4. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, waarbij de bouwkosten zijn vastgesteld op meer dan ƒ 6.000,- voor elke ƒ 1.000,- van de bouwkosten of gedeelte van f 1.000,- ƒ 19,75 (…) 7. Indien de gevraagde vergunning niet wordt verleend, bestaat aanspraak op teruggaaf van 40% van de geheven leges. (…) 9. Tot de bouwkosten wordt omzetbelasting gerekend ongeacht of de belastingplichtige de omzetbelasting ter zake al dan niet op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 voor aftrek in aanmerking kan brengen." 5.2. Gelet op het vorenoverwogene concludeert het Hof dat belanghebbende belastingplichtig is in de zin van artikel 3 van de Verordening. De aanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Dat de bouwvergunning tot op de dag van de zitting - om welke reden dan ook - niet is verleend doet daaraan niet af. 5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de gemeente Zaanstad hem pas achteraf over de leges heeft geïnformeerd. Het Hof heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stelling door verweerder, alsmede gelet op belanghebbendes verklaring dat hij niet aan de balie is geweest en voorts gelet op de omstandigheid dat belanghebbende zich bij de aanvraag heeft laten bijstaan door een architect, geen reden om de aanslag op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur te vernietigen. Van belang in dit verband acht het Hof tevens dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat, ongeacht de leges die bij een nieuwe aanvraag verschuldigd zijn, belanghebbende overeenkomstig § 17.7 van de Tarieventabel aanspraak heeft op teruggaaf van 40% van de geheven leges, als definitief vaststaat dat de vergunning niet wordt verleend. Het gelijk is aan verweerder. 6. Proceskosten Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de vergoeding van proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is vastgesteld op 21 mei 2002 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de voornoemde mondelinge uitspraak. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener; b) de dagtekening; c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.