Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE5024

Datum uitspraak2002-07-10
Datum gepubliceerd2002-07-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/060063-01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Drievoudige doodslag: 20 jaar gevangesistraf. Hoger beroep: AI0976


Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/060063-01 Datum uitspraak: 10 juli 2002 Tegenspraak VONNIS van de RECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [adres] op 7 februari [geboortejaar], wonende te Rotterdam, ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting De Schie te Rotterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2002. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze vordering is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A en 1B). DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Jeras heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven - de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten in de zin van doodslag en de veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek van voorarrest. BEWEZEN De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijde genummerd 1C en 1D), die van dit vonnis deel uitmaakt. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. BEWIJS De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN EN VAN DE VERDACHTE De bewezen feiten leveren op: 1. doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht; 2. doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht; 3. doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht; Verdachte heeft met een beroep op noodweer/noodweerexces gesteld, dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Onder verwijzing naar hetgeen te zien is op de videoband met betrekking tot de gehouden reconstructie, heeft hij daartoe onder meer aangevoerd: - dat hij in de woning, tijdens een discussie over een geldlening, onverwacht door [slachto[slachtoffer 1] met een mes in zijn elleboog werd gestoken; - dat hij, hevig bloedend en bang dat hem iets zou worden aangedaan, naar de keuken is gegaan en heeft gekeken of hij aan de achterzijde de woning kon verlaten; - dat dat niet kon, omdat hij in de tuin van de woning een grote hond zag lopen; - dat hij uit een keukenlade een mes heeft gepakt om zich eventueel te kunnen verdedigen; - dat hij de woonkamer is binnengestapt, waarna hij door [slachtoffer 1] met een mes werd bedreigd, waarbij deze met dat mes zwaaiende bewegingen in zijn richting maakte; - dat hij [slachtoffer 1] hierop heeft gestoken; - dat hij de woning vervolgens via de voordeur wilde verlaten, maar dat hij op weg daar naartoe door [slachtoffer 2] werd tegengehouden, waarop hij [slachtoffer 2] heeft gestoken; - dat, bij de voordeur gekomen, [slachtoffer 3] hem belette om die voordeur te openen, waarop hij [slachtoffer 3] heeft gestoken; - dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarna op hem afkwamen waarbij hij hen al vechtend en stekend van zich af heeft gehouden; - dat hij zag dat [slachtoffer 1] de keuken inliep waarna hij ook de keuken is binnen gelopen en zag dat [slachtoffer 1] de woning door de keukendeur verliet; - dat hij vervolgens naar die keukendeur is gelopen en deze heeft dichtgetrokken waarna hij zelf de woning via de voordeur heeft verlaten. De rechtbank stelt vooraf vast dat, los van de door verdachte gegeven lezing, noch uit de bewijsmiddelen noch uit de stukken voor het overige, ook niet in onderling verband bezien, kan worden vastgesteld wat zich precies in de woning aan de Catharinastraat heeft afgespeeld. Het al dan niet honoreren van het door verdachte gevoerde verweer hangt dus ten nauwste en in de eerste plaats samen met de geloofwaardigheid van de door verdachte gegeven lezing omtrent de toedracht. Naar het oordeel van de rechtbank vindt die door de verdachte gegeven lezing onvoldoende steun in de bewijsmiddelen en hetgeen overigens uit de processtukken valt af te leiden. 1. In de door hem geschetste toedracht kent verdachte aan zijn slachtoffers een tegen hem gekeerde actieve en bewuste rol toe. Dit verhoudt zich echter niet met de vaststelling die de politie in het door haar uitgevoerde technisch onderzoek in de woning heeft gedaan. In dat onderzoek heeft de politie aan de hand van de aangetroffen sporen op zich geconcludeerd, dat zich in de woning, met name in de woonkamer en de gang/entree, een ruzie en/of worsteling moet hebben voorgedaan, maar daarnaast heeft de politie ook geconcludeerd dat de slachtoffers verrast of machtsonbekwaam moeten zijn geweest op het moment dat ze werden gestoken. Bij alledrie de slachtoffers is weinig sprake van zogenaamde afweerverwondingen en alledrie zijn meerdere malen gestoken op fatale plaatsen in het lichaam. 2. In de door hem geschetste toedracht stelt verdachte dat zijn elleboog hevig bloedde op het moment dat hij uit een keukenlade een mes pakte. De verdachte verklaarde ter terechtzitting letterlijk "het bloed stroomde over mijn arm". Verdachte maakte daarbij een beweging waaruit de rechtbank opmaakt dat, volgens verdachte, het bloed vanaf zijn arm naar beneden drupte. Op de keukenlade waaruit verdachte een mes heeft gepakt is bloed aangetroffen. Tijdens DNA-onderzoek is vastgesteld dat dat bloed niet van verdachte afkomstig kan zijn. 3. In de door hem geschetste toedracht stelt verdachte onder meer, dat nadat [slachtoffer 1] uiteindelijk de woning door die deur had verlaten, hij de keukendeur onmiddellijk achter [slachtoffer 1] dichttrok. Dit verhoudt zich niet met de verklaring die is afgelegd door [getuige]. Die getuige heeft onder meer verklaard, dat hij zag dat een man de keukendeur openduwde en dat hij zag dat er ter hoogte van de buik van die man een man in een gebukte houding stond. Hij zag dat de man in de gebukte houding tegen de benen van de andere man trapte op het moment dat die man naar buiten wilde lopen. Hij zag dat het de man die werd getrapt toch lukte om naar buiten te komen om vervolgens over een tuinhek te klimmen en van de tuin weg te lopen. Vervolgens zag hij dat de andere man de woning weer binnenging waarbij de deur bleef openstaan. Na een paar seconden zag hij dezelfde man weer bij de deur. Hij stond weer in een gebukte houding en keek in de richting waarin de andere man uit de tuin was weggegaan. Daarna zag hij de man de deur dichtdoen. 4. De door verdachte geschetste toedracht verhoudt zich op nog een punt niet met de verklaring van de hiervoor genoem[getuige]. Verdachte stelt, dat hij nadat hij in zijn elleboog was gestoken naar de keuken is gegaan in een poging om via de keukendeur de woning te verlaten, maar dat hij in de keuken aangekomen zag dat er in de tuin een grote hond liep en dat zijn angst voor die hond dermate was dat hij niet naar buiten durfde. Zoals hiervoor onder 3 is opgenomen heeft [getuige] verklaard dat, nadat de ene man de tuin via een hek had verlaten de andere man de woning weer is binnengegaan, waarbij de keukendeur bleef openstaan. Dat openstaan, hoe kort dat ook geweest moge zijn, verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de angst die verdachte verklaarde voor de hond te hebben gehad. 5. In de door hem geschetste toedracht, zowel tijdens de ondervraging ter terechtzitting als tijdens de gehouden reconstructie, heeft de verdachte bij herhaling op dezelfde manier aangegeven de wijze waarop hij het mes gedurende de hele toedracht in zijn hand heeft gehad en de wijze waarop hij met dat mes meerdere keren zijn slachtoffers heeft gestoken. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit door verdachte aangegeven steken kan worden gezien als zogenaamd "onderhands" steken. Deze manier van steken verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de waarnemingen van de patholoog-anatoom Hens die heeft vastgesteld, dat de kanalen van de steekverwondingen bij het [slachtoffer 1] naar achteren en naar beneden verliepen, waarbij de rechtbank opmerkt dat volgens eigen zeggen van verdachte de agressie is begonnen bij het [slachtoffer 1]. De mate van geloofwaardigheid met betrekking tot de toedracht zoals deze zou hebben plaats gehad valt, naast het bovenstaande, ook samen met de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte in zijn geheel. De rechtbank is van oordeel, dat er in ieder geval twee omstandigheden zijn die aan de geloofwaardigheid van verdachtes verklaringen afbreuk doen. 1. Verdachte heeft verklaard dat hij de steekwond aan zijn elleboog na thuiskomst met een pleister heeft afgeplakt. Zowel de partner als een dochter van verdachte hebben afzonderlijk van elkaar verklaard, dat verdachte die pleister al voor 3 augustus 2001 droeg. 2. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de toedracht in de woning heel erg geëmotioneerd was. Hij schreeuwde en huilde van angst, waarbij tranen zijn gezichtsveld beperkten. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij na het gebeuren in de woning rechtstreeks naar huis is gegaan en vervolgens voortdurend aan het voorval heeft moeten denken en dat het hem niet losliet. In dit verband merkt de rechtbank op dat zij heeft waargenomen, dat verdachte zowel op de reconstructievideo als tijdens het onderzoek ter terechtzitting een geëmotioneerde indruk maakte. Met die lezing staat naar het oordeel van de rechtbank echter in schril contrast dat de partner en andere familieleden van verdachte afzonderlijk van elkaar hebben verklaard, dat er vanaf het moment dat verdachte is thuisgekomen - ter terechtzitting is vastgesteld, dat er maximaal tien minuten tussen het verlaten van de plaats delict en het aankomen thuis heeft gelegen - door hen niet is waargenomen, dat er met verdachte wel eens iets gebeurd zou kunnen zijn. Voor allen geldt dat verdachte was zoals zij hem kenden en die situatie is voor hen gebleven tot het moment waarop verdachte werd aangehouden. Tot op dat moment was niemand iets bijzonders opgevallen aan het gedrag van verdachte. De slotsom uit hetgeen hiervoor is overwogen luidt, dat de rechtbank op basis van het onderzoek ter terechtzitting de door verdachte weergegeven feitelijke grondslag van het verweer niet aanwezig acht. Hieruit volgt weer dat er voor de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat er ten aanzien van verdachte in de woning sprake is geweest van een noodweersituatie in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft zich afgevraagd of er met betrekking tot één en ander nog nader onderzoek dient te worden verricht. De rechtbank heeft deze vraag negatief beantwoord. De rechtbank ziet niet welk relevant te achten onderzoek nog zou kunnen worden gedaan met betrekking tot de toedracht in de woning aan de Catharinastraat. Naar het oordeel van de rechtbank is het politieonderzoek uitgebreid en voldoende zorgvuldig geweest. Aannemelijk is, dat eventuele nadere onderzoeken een zeker speculatief karakter in zich zullen dragen. Met betrekking tot [getuige] heeft de verdachte gesteld, dat deze getuige liegt, maar enig onderbouwend feit en/of omstandigheid die deze bewering aannemelijk maken zijn niet aangevoerd en deze zijn de rechtbank ook overigens niet gebleken. Concrete verzoeken tot het laten verrichten van nadere onderzoekshandelingen zijn door of namens de verdachte niet gedaan. Namens de verdachte heeft de raadsman de rechtbank nog wel verzocht om zich ten behoeve van de beraadslaging met betrekking tot het onderhavige verweer te laten voorlichten over de vraag of de slachtoffers op geweldsgebied voorkomen in de politieregisters. Tegen de achtergrond dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de slachtoffers geen strafrechtelijke documentatie op dit punt hebben heeft de rechtbank voorlichting op dit punt niet noodzakelijk geacht. Voor zover de raadsman bedoeld heeft op dit punt een uitdrukkelijke verzoek te doen wordt dit verzoek afgewezen. De slotconclusie uit hetgeen hiervoor is overwogen luidt dat er naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat er ten tijde van het steken door verdachte sprake was van een situatie van noodzakelijke verdediging van de zijde van de verdachte tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Bij de beoordeling van een beroep op noodweer-exces moet van de veronderstelling worden uitgegaan dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Nu een dergelijke situatie zich naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voorgedaan komt verdachte een dergelijk beroep niet toe. Het beroep op noodweer-exces wordt daarom eveneens afgewezen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar. MOTIVERING VAN DE STRAF De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in een woning drie mensen door messteken van het leven beroofd. De gruwelijke wijze van handelen van de verdachte wordt getekend door het grote aantal messteken dat de verdachte de slachtoffers heeft toegebracht. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen de slachtoffers hun kostbaarste bezit, het leven, afgenomen, hij heeft daarmee ook onzegbaar leed teweeg gebracht voor ouders, broers, zusters, verdere familie, vrienden en vriendinnen van de gedode personen. Daarnaast brengen feiten als deze gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage d.d. 17 april 2002 die het Pieter Baan Centrum in opdracht van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank te Rotterdam met betrekking tot de verdachte heeft uitgebracht. Blijkens dit rapport is er bij de verdachte geen sprake van een psychiatrische ziekte of persoonlijkheidsstoornis. Er is wel sprake van een bepaald gok- en drinkgedrag doch dit beïnvloedt zijn functioneren in de maatschappij niet zodanig dat men kan spreken van verslavingen. Er zijn wel enige vermijdende trekken in verdachtes persoonlijkheid waarneembaar, maar die zijn niet zodanig ernstig dat van een stoornis gesproken kan worden. De rapporteurs van het Pieter Baan Centrum komen tot de conclusie dat de feiten -indien bewezen - de verdachte volledig kunnen worden toegerekend. De rechtbank deelt de visie en de conclusie met betrekking tot de toerekenbaarheid van het Pieter Baan Centrum en maakt die tot de hare. Alles afwegend, met name het gegeven dat in deze zaak drie mensen zijn gedood, de vaststelling dat wat betreft de toedracht ten aanzien van de verdachte geen ontlastende feiten en/of omstandigheden zijn gevonden, het gegeven dat de verdachte volledig verantwoordelijk is voor zijn daden en de ernst van ieder feit op zich in ogenschouw nemend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is. Het gegeven dat verdachte niet eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. DE VORDERING [benadeelde partij 1] Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als [benade[benadeelde partij 1], wonende [adres], terzake van feit 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1.594,99 Door de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist. De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering daar verdachte niet strafbaar is. Voorts beroept hij zich op artikel 101 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en is van mening dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.507,18 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering betrekking hebbend op de gesprekskosten van BEN en Libertel ter hoogte van € 87,81. De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 1.507,18 bij niet-betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis. Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en de verdachte de inhoud van de door de benadeelde partij overlegde producties onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken zal het gevorderde bedrag ter zake van de uitvaartverzorging, de notariskosten, de ziekenhuiskosten en de kosten met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst met Libertel worden toegewezen. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de gesprekskosten van Libertel en de kosten van BEN is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. DE VORDERING [benadeelde partij 2] Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als [benadeelde partij 2], per [adres], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 10.529,24. Door de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist. De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering daar verdachte niet strafbaar is. Voorts beroept hij zich op artikel 101 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en is van mening dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.941,01 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering betrekking hebbend op de sieraden ter hoogte van € 1588,23. De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen. Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en de verdachte de inhoud van de door de benadeelde partij overlegde producties onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken zal het gevorderde betrekking hebbend op de kleding, de begrafenis, de gedenksteen en de verklaring van erfrecht worden toegewezen. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de sieraden en de tafel is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De door de benadeelde partij gevorderde kosten voor rechtsbijstand worden in hoofdsom niet toegewezen. Zij worden conform de gebruikelijke liquidatietarieven in civiele zaken betrokken in de hierna opgenomen kostenveroordeling. De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. DE VORDERING [benadeelde partij 3] Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als [benadeelde partij 3], wonende [adres] terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.265,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00. Door de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist. De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering daar verdachte niet strafbaar is. Voorts beroept hij zich op artikel 101 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en is van mening dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voorts voert de raadsman aan dat de vordering betrekking hebbend op de immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt daar het affectieschade betreft. De reiskosten kunnen volgens de raadsman evenmin worden toegewezen daar deze kosten niet vallen onder de kosten voor de lijkbezorging. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.565,00 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering betrekking hebbend op de immateriële schade voor wat betreft het gevorderde meer dan € 3.000,00. Hij heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 5.565,00 bij niet-betaling te vervangen door 111 dagen hechtenis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij zich terzake van de gevorderde reiskosten niet gevoegd als erfgenaam van een onder algemene titel verkregen vordering noch als persoon bedoeld in artikel 108 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Uit bovenstaande vloeit voort dat de benadeelde partij niet ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. DE VORDERING [benadeelde partij 4] Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als [bena[benadeelde partij 4], wonende [adres], terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 9.320,24 en immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00. Door de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist. De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering daar verdachte niet strafbaar is. Voorts beroept hij zich op artikel 101 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en is van mening dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voorts voert de raadsman aan dat de vordering betrekking hebbend op de immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt daar het affectieschade betreft. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 12.420,00 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering betrekking hebbend op de immateriële schade voor wat betreft het gevorderde meer dan € 3000,00. Voorts heeft hij gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen. Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en de verdachte de inhoud van de door de benadeelde partij overlegde producties onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken zal het gevorderde bedrag betrekking hebbend op de begrafeniskosten en de gedenksteen worden toegewezen. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De door de benadeelde partij gevorderde kosten raadsman worden in hoofdsom niet toegewezen. Zij worden conform de gebruikelijke liquidatietarieven in civiele zaken betrokken in de hierna opgenomen kostenveroordeling. De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Naast de reeds genoemde artikelen heeft de rechtbank gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: - verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; - stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; - verklaart de verdachte terzake van de feiten strafbaar; - veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 20 (TWINTIG) JAREN; - beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; - verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft de gesprekskosten van Libertel en de kosten van BEN en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige toe en veroor-deelt de verdachte tegen kwij-ting aan [benadeelde partij 1], wonende [adres], te betalen € 1.212,32 (zegge éénduizend tweehonderd en twaalf EURO en tweeëndertig EUROcent); - legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 1], wonende [adres], te betalen € 1.212,32 (zegge éénduizend tweehonderd en twaalf EURO en tweeëndertig EUROcent) bij gebreke van volledige betaling en volle-dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; - bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.212,32 ten behoeve van [benadeelde partij 1], daarmee de ver-plichting van de verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van € 1.212,32 te betalen komt te vervallen, en bepaalt tevens dat indien de verdachte aan de benadeelde partij een bedrag van € 1.212,32 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.212,32 ten behoeve van [benadeelde partij 1] komt te vervallen; - veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - verklaart de [be[benadeelde [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft de sieraden en de tafel en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [benadeelde partij 2], per [adres], te betalen € 8.260,34 (zegge achtduizend tweehonderd en zestig EURO en vierendertig EUROcent); - legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 2], per [adres], te betalen € 8.260,34 (zegge achtduizend tweehonderd en zestig EURO en vierendertig EUROcent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 165 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; - bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 8.260,34 ten behoeve van [benadeelde partij 2], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van € 8.260,34 te betalen komt te vervallen, en bepaalt tevens dat indien de verdachte aan de benadeelde partij een bedrag van € 8.260,34 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 8.260,34 ten behoeve van [benadeelde partij 2] komt te vervallen; - veroordeelt de verdachte in de kosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt tot op heden begroot op € 390,25 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt de [benadeelde partij 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil; - verklaart de [benadeelde partij 4], niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft de immateriële schade en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [benadeelde partij 4], wonende [adres], te betalen € 7.175,86 (zegge zevenduizend honderd en vijfenzeventig EURO en zesentachtig EUROcent); - legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 4], wonende [adres], te betalen € 7.175,86 (zegge zevenduizend honderd en vijfenzeventig EURO en zesentachtig EUROcent bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 143 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; - bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.175,86 ten behoeve van [benadeelde partij 4], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van € 7.175,86 te betalen komt te vervallen, en bepaalt tevens dat indien de verdachte aan de benadeelde partij een bedrag van € 7.175,86 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.175,86 ten behoeve van [benadeelde partij 4] komt te vervallen; - veroordeelt de verdachte in de kosten door de [benadeelde partij 4] gemaakt tot op heden begroot op € 780,51 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; Dit vonnis is gewezen door: mr. De Ruijter, voorzitter, en mrs. Franken en Van Dijken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hendriks, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juli 2002.