Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE5381

Datum uitspraak2002-07-17
Datum gepubliceerd2002-07-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200104492/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200104492/1. Datum uitspraak: 17 juli 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Geertjesgolf B.V.", gevestigd te Beuningen, appellante, en gedeputeerde staten van Gelderland, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2001, kenmerk RE2000.75151, hebben verweerders geweigerd appellanten een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet te verlenen voor de aanleg van een voorhaven in de uiterwaarden van de Waal bij Deest. Dit besluit is aangehecht. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 22 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke en mr. D.R. de Poorter, advocaten te Nijmegen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Horst, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen Voorts zijn daar gehoord burgemeester en wethouders van Beuningen, vertegenwoordigd door H. Peereboom, wethouder, en burgemeester en wethouders van Druten, vertegenwoordigd door J.A.M. van Kerkhof, ambtenaar van de gemeente. 2. Overwegingen 2.1. De Ontgrondingenwet is gewijzigd bij wet van 20 juni 1996 (Stb. 411). Deze wijzigingen zijn met ingang van 1 januari 1997 in werking getreden. Uit artikel 31, eerste lid, van de Ontgrondingenwet volgt dat, nu de aanvraag om vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is ingediend vóór 1 januari 1997, toepassing gegeven moet worden aan artikel 10 van de Ontgrondingenwet, zoals dat luidde vóór deze datum. 2.2. Niet in geding is dat de aangevraagde ontgronding in overeenstemming is met het streekplan en het ontgrondingenbeleid van de provincie Gelderland. Voorts staat vast dat een spoedige vergunningverlening van belang is in verband met het nationale belang van een ongestoorde bouwgrondstoffenvoorziening. Verweerders hebben niettemin geweigerd de aangevraagde vergunning krachtens de Ontgrondingenwet te verlenen. Zij hebben hieraan de overweging ten grondslag gelegd dat de beoogde ontgronding op de aangevraagde locatie in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de gemeente Beuningen weigert planologische medewerking te verlenen. 2.3. Appellanten betwisten dat de gemeente Beuningen niet bereid is planologische medewerking te verlenen aan de aanleg van een voorhaven in de uiterwaarden van de Waal bij Deest. Zij hebben dienaangaande gewezen op het convenant dat op 14 mei 2001 is gesloten tussen de provincie Gelderland en de gemeente Beuningen. 2.4. Ingevolge artikel 10, vierde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Ontgrondingenwet, zoals deze bepalingen destijds luidden, worden besluiten tot verlening, wijziging, intrekking of weigering van een vergunning genomen na afweging van alle belangen welke bij de betreffende ontgronding zijn betrokken. 2.5. De aangevraagde ontgronding is in strijd met de voor de gronden geldende bestemming. Tevens was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in de gemeente Beuningen geen bestemmingsplan in voorbereiding die een juridisch planologische basis kon bieden voor de ontgronding. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 25 september 1995, no. E01.95.0245, Gst. 1999, 7089, 8, heeft overwogen is strijdigheid met een geldende bestemming een belang dat in het kader van de besluitvorming inzake een aanvraag om een vergunning ingevolge de Ontgrondingenwet in aanmerking dient te worden genomen. Deze strijdigheid behoeft echter niet zonder meer aan de verlening van een ontgrondingsvergunning in de weg te staan. In dit verband is van betekenis het antwoord op de vraag of verweerders er – ten tijde van het nemen van hun besluit – vanuit mochten gaan dat de strijdigheid binnen afzienbare tijd zou worden opgeheven. De Afdeling overweegt hieromtrent als volgt. 2.6. Verweerders en de gemeenteraad van Beuningen hebben op 14 mei 2001 een convenant gesloten. Het convenant heeft tot doel om te komen tot planologische medewerking van de gemeente. Aan het convenant is een aantal voorwaarden verbonden waaraan voldaan moet zijn, alvorens de gemeente Beuningen bereid is medewerking te verlenen aan planologische inpassing van de winlocaties. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was nog niet voldaan aan deze voorwaarden. Appellanten hebben de Afdeling er voorts niet van kunnen overtuigen dat verweerders er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vanuit konden gaan dat binnen afzienbare termijn voldaan zou zijn aan alle voorwaarden van het convenant waardoor de gemeente Beuningen bereid zou zijn planologische medewerking te verlenen. Hierbij is in aanmerking genomen dat de gemeenteraad ter zitting heeft verklaard nog steeds niet bereid te zijn planologische medewerking te verlenen. 2.7. Gezien het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat verweerders er vanuit mochten gaan dat de strijdigheid met de geldende bestemmingen in de gemeente Beuningen niet binnen afzienbare tijd zou worden opgeheven. Verweerders hebben de door appellanten gevraagde vergunning krachtens de Ontgrondingenwet derhalve terecht geweigerd. Het beroep is ongegrond. 2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gaan aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J. Aerts, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. Aerts Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002 303.