Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE6933

Datum uitspraak2002-08-28
Datum gepubliceerd2002-08-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200201826/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200201826/1. Datum uitspraak: 28 augustus 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 15 februari 2002 in het geding tussen: [verzoeker], kantoorhoudend te [plaats] en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 13 april 2000 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van appellant (hierna: het bureau) een vergoeding vastgesteld voor de door [verzoeker] aan [derde] verleende rechtsbijstand. Tegen dit besluit heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij appellant. Bij besluit van 1 september 2000 heeft het bureau het besluit van 13 april 2000 ingetrokken en een vergoeding afgewezen. Bij besluit van 18 september 2001 heeft appellant het door [verzoeker] ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2000 vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering, en bepaald dat een nieuwe beslissing op de aanvraag vergoeding wordt genomen conform de huidige uitvoeringspraktijk van appellant. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar en beroep van 31 augustus 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht. Bij besluit van 26 september 2001 heeft het bureau een vergoeding vastgesteld. Bij uitspraak van 15 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] tegen het besluit van 18 september 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op administratief beroep vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 1 mei 2002 heeft appellant een memorie van antwoord ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen. [verzoeker] is niet verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij het besluit van 18 september 2001 heeft appellant het besluit van 1 september 2000 van het bureau vernietigd en bepaald dat een nieuwe beslissing op de aanvraag wordt genomen conform de huidige uitvoeringspraktijk van appellant, in die zin dat onder verwijzing naar artikel 4:48, eerste lid, onder b, c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de subsidie wordt gewijzigd, omdat niet is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichting ex artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) dat de toevoeging aan de rechter wordt overgelegd. 2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 18 september 2001 in strijd is met artikel 7:25 van de Awb. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in feite in twee fasen is beslist op het administratief beroep. Het besluit van 18 september 2001 geeft niet aan welke consequenties de wijziging van de subsidie in concreto heeft voor een vergoeding van de door [verzoeker] verleende rechtsbijstand. Dat is pas gebeurd bij afzonderlijk besluit van 26 september 2001, waarbij een vergoeding is vastgesteld. Voorts heeft het bureau de vergoeding vastgesteld terwijl dit ingevolge artikel 7:25 van de Awb door appellant als beroepsinstantie diende te gebeuren. 2.3. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de beschikking van 26 september 2001 van het bureau niet is genomen op basis van artikel 10, aanhef en onder c, van de Wrb, maar op basis van artikel 10, aanhef en onder a, van de Wrb, als uitvoeringsbeschikking hangend aan het besluit van 18 september 2001 van appellant. Laatstgenoemd besluit is samen met de uitvoeringsbeschikking van 26 september 2001 bekend gemaakt op 27 september 2001. 2.4. Ingevolge artikel 10 van de Wrb – voorzover hier van belang – heeft het bureau tot taak: a. de voorbereiding en uitvoering van door de raad te behandelen en te beslissen zaken; b. (…); c. de vaststelling en uitbetaling van vergoedingen aan rechtsbijstandverleners; d. (…); e. (…). 2.5. Artikel 7:25 van de Awb bepaalt dat het beroepsorgaan, voorzover hij het beroep ontvankelijk en gegrond acht, het bestreden besluit vernietigt en voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt. Blijkens de Memorie van Toelichting is als hoofdregel van het administratief beroep vastgelegd dat het beroepsorgaan niet volstaat met een gehele of gedeeltelijke vernietiging van een bestreden besluit, maar daarvoor ook, indien dat nodig is, een nieuw besluit in de plaats stelt. Niet in alle gevallen is dat nodig. Wanneer met een vernietiging volledig bereikt wordt hetgeen de appellant beoogde, is een nieuw besluit vanzelfsprekend niet nodig. 2.5.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat met het besluit van 18 september 2000 een onvolledige beslissing is genomen op het ingestelde administratief beroep. Ook de Afdeling is van oordeel dat artikel 7:25 van de Awb zich ertegen verzet dat de besluitvorming op een administratief beroep wordt gesplitst zodanig dat afronding van die besluitvorming geschiedt bij nader besluit van degene wiens besluit in het administratief beroep wordt vernietigd. Om die reden kan de beschikking van 26 september 2001 van het bureau niet worden aangemerkt als een handeling die valt onder artikel 10, aanhef en onder a, van de Wrb. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Sparreboom Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002 195-401.