Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE9853

Datum uitspraak2002-09-26
Datum gepubliceerd2002-11-06
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers00/00977
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 00/00977 Proces-verbaal mondelinge uitspraak belanghebbende : [X] te : [Z] verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 nummer : [01.H76] mondelinge behandeling : door de tweede enkelvoudige kamer op 27 februari 2002, waarbij [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur] zijn verschenen, en door de tweede meervoudige kamer met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden gronden: 1. Belanghebbende heeft op 17 april 1978 de volledige eigendom verkregen van de woning "[a]" aan de [a-weg 1 te Z]. Gelijktijdig is op een gedeelte van de woning een recht van gebruik en bewoning gevestigd ten behoeve van de ouders van belanghebbende. Dit gedeelte beslaat 40 percent van de totale woning. In het onderhavige jaar (1997) heeft belanghebbende voor dit recht van gebruik en bewoning geen vergoeding ontvangen. De woning is als beschermd monument ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988. 2. Na toepassing van een ophogingspercentage van 5% heeft de woning een WOZ-waarde van ƒ 247.000. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 heeft belanghebbende ter zake van de woning een huurwaarde ad ƒ 3.095 aangegeven en na aftrek van het subsidiebedrag van ƒ 7.573 een bedrag ad ƒ 40.864 aan kosten, lasten en afschrijving in mindering gebracht op zijn inkomen. 3. De Inspecteur heeft met instemming van belanghebbende bij de vaststelling van de aanslag een telfout van ƒ 7.000 gecorrigeerd bij de kosten en lasten. Daarnaast heeft de Inspecteur voor het gedeelte van de woning waarop het recht van gebruik en bewoning is gevestigd, derhalve 40% van de voordelen, de kosten, de lasten en de afschrijving gecorrigeerd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur haar standpunt in dezen gehandhaafd. 4. In geschil is het antwoord op de vraag of het gedeelte van de onderhoudskosten en andere kosten en lasten die kunnen worden toegerekend aan het gedeelte van de woning waarop een recht van gebruik en bewoning is gevestigd, door belanghebbende in aftrek kunnen worden gebracht. 5. Belanghebbende klaagt in beroep erover dat de door de Inspecteur toegepaste correctie op de onderhoudskosten is gebaseerd op een onjuiste uitleg van artikel 36, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), althans in strijd komt met op dit terrein gewezen jurisprudentie, met opvattingen in de literatuur en met de wetsgeschiedenis van genoemde bepaling. Het Hof verstaat, mede aan de hand van de inhoud van het beroepschrift, deze primaire stelling van belanghebbende aldus dat - gelet op doel en strekking van artikel 36, achtste lid, van de Wet - de beperking van aftrek van kosten en lasten niet van toepassing is op monumentenwoningen. 6. Ingevolge artikel 42a, eerste lid, van de Wet worden zuivere inkomsten met betrekking tot een eigen woning forfaitair bepaald op de huurwaarde en worden andere voordelen alsmede kosten, lasten en afschrijvingen - andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming - niet in aanmerking genomen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel wordt onder eigen woning verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met de aanhorigheden daarvan, voor zover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, ter beschikking staat. Het zevende lid van bedoeld artikel bepaalt dat met betrekking tot een eigen woning die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de aldaar bedoelde kosten, lasten en afschrijvingen in aanmerking worden genomen voorzover die kosten, lasten en afschrijvingen te zamen zowel ƒ 300 als 1,75 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer doch ten hoogste ƒ 24.000 te boven gaan. 7. Nu op een gedeelte van de woning een recht van gebruik en bewoning is gevestigd ten behoeve van de ouders van belanghebbende (hierna: het andere gedeelte), staat de woning belanghebbende in zoverre niet ter beschikking. Voor dat andere gedeelte is voor hem dan ook geen sprake van een eigen woning in de zin van de eigen woningregeling. Op grond van artikel 42a, zevende lid, van de Wet zijn de door belanghebbende gemaakte onderhoudskosten en andere kosten en lasten slechts aftrekbaar voor zover deze zijn toe te rekenen aan het gedeelte van de woning dat hem als eigen woning dient, zodat voor aftrek van de kosten die betrekking hebben op het andere gedeelte van de woning bij hem in zoverre geen plaats is. 8. In het onderhavige geval vindt, gelet op het tiende lid van artikel 42a van de Wet, bij de ouders van belanghebbende voor wat betreft het gedeelte van de woning dat zij bewonen artikel 42a, eerste en zevende lid, van de Wet toepassing, zodat op grond van artikel 36, achtste lid, van de Wet voor dat gedeelte van de woning slechts onderhoudskosten en andere kosten en lasten bij belanghebbende in aanmerking worden genomen tot ten hoogste het bedrag van de door belanghebbende genoten voordelen uit dat gedeelte van de woning. Nu belanghebbende in het onderhavige jaar geen voordelen heeft genoten uit het andere gedeelte van de woning, kunnen ook op grond van de tekst van die bepaling in zoverre geen onderhoudskosten en andere kosten en lasten bij hem in aanmerking worden genomen. 9. Het Hof ziet, nu de wetsgeschiedenis daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt, geen grond om in casu af te wijken van de tekst van artikel 36, achtste lid, van de Wet. 10. Subsidiair stelt belanghebbende dat gezien de levensverwachting van zijn ouders binnen afzienbare tijd het door hen bewoonde gedeelte van de woning door hem zelf kan worden bewoond, zodat de onderhoudskosten op die grond ingevolge artikel 42a, zevende lid, van de Wet geheel in aftrek kunnen komen. 11. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de onderhoudskosten zijn gemaakt met het oog op de toekomstige zelfbewoning van het gedeelte waarin zijn ouders in het onderhavige jaar nog woonden. Voorts heeft belanghebbende, afgezien van de leeftijdsvermelding van de ouders, geen gegevens aangedragen waaruit kan worden opgemaakt dat spoedig een einde zou komen aan de bewoning door de ouders van het andere gedeelte in zijn woning. De zich nadien voordoende omstandigheid dat door de vader na opname in het verpleeghuis en het overlijden van de moeder in juli 2001 afstand is gedaan van het recht van gebruik en bewoning, doet aan dit oordeel niet af. 12. Uit de ter zitting van 27 februari 2002 overgelegde pleitnota's van belanghebbende en de Inspecteur blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat het huurwaardeforfait ƒ 3.095 bedraagt, dit in afwijking van hetgeen in aanmerking is genomen bij het vaststellen van de aanslag. 13. Nu het Hof van oordeel is dat het belastbaar inkomen niet te hoog is vastgesteld, behoeft de door de Inspecteur in de pleitnota verdedigde berekening van de afschrijving zoals deze in het onderhavige jaar dient te worden toegepast, geen behandeling. slotsom: Het beroep is ongegrond. proceskosten: Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. beslissing: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur. Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2002 door mr. Lamens, voorzitter, mr. Van Schie en mr. Den Ouden, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Linssen als griffier. Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal. De griffier, De voorzitter, (I. Linssen) (J. Lamens) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 september 2002 Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.