
Jurisprudentie
AF0884
Datum uitspraak2002-11-05
Datum gepubliceerd2002-11-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/00743
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-11-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/00743
Statusgepubliceerd
Uitspraak
WAHV 02/00743
5 november 2002
CJIB 19045187354
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam
van 14 juni 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 310,-- (€ Euro 140,67) opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden", feitcode R465a, welke gedraging zou zijn verricht op 6 september 2001 op de Rijksweg A20 (O-W) te Rotterdam.
3.2. De betrokkene ontkent niet dat hij als weggebruiker over de vluchtstrook heeft gereden. Hij is echter van oordeel dat zijn handelwijze, - in casu het rijden over een afstand van enkele honderden meters over de vluchtstrook vanaf het door hem bezochte tankstation naar de uitvoegstrook van Capelle a/d/ IJssel -, als een individuele toepassing van nuttiger gebruik van de vluchtstrook in Nederland dient te worden beschouwd en als zijn bijdrage aan het verkorten van de file. Voorts is hij van mening, dat hij met deze handeling geen enkele andere weggebruiker heeft gehinderd of in gevaar gebracht. Verder stelt hij, dat hij ooit geleerd heeft, dat gebruik van de vluchtstrook als uitloop van de invoegstrook is toegestaan. Hij is van oordeel, dat de sanctie op nihil gesteld zou moeten worden, althans in aanzienlijke mate gematigd.
3.3. De in feitcode R 465a vermelde gedraging is een overtreding van art. 43, derde lid, RVV1990, dat luidt als volgt:
"Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm."
3.4. Hetgeen de betrokkene aanvoert als reden om gebruik te maken van de vluchtstrook, hetgeen er in de kern van de zaak op neer komt, dat hij de file wenste te ontwijken, valt niet onder hetgeen te beschouwen is als een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid RVV 1990. Ook het in dit verband door de betrokkene aangevoerde gebruik maken van de vluchtstrook als "uitloop van de invoegstrook" is in strijd met het in dit artikellid bepaalde, nog daargelaten overigens, dat in het onderhavige geval van een dergelijk gebruik geen sprake was.
3.5. Met betrekking tot de eigen invulling die de betrokkene wenst te geven aan de reikwijdte van het bovenstaande verbod, met name in het licht van hetgeen door hem wordt opgemerkt ten aanzien van het zijns inziens ontbreken van hinder of gevaar voor andere weggebruikers, overweegt het hof het volgende.
Bij de invoering van het RVV 1990 is in vergelijking met het RVV 1966 als uitgangspunt gekozen, dat niet voor iedere denkbare situaties concrete voorschriften worden beoogd, maar dat de wetgeving moet worden beperkt tot de basisregels. De nota van toelichting op het RVV 1990 houdt in dit verband onder meer in: "Bij het opstellen van het RVV 1990 is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen wat voorgeschreven moet worden en wat aan het inzicht van de verkeersdeelnemers overgelaten dient te worden. De optelsom moet zijn: een veilig en ordelijk verloop van het verkeer. Zo is er aantal basisregels uit de bus gekomen waaraan in beginsel onder alle omstandigheden moet worden voldaan". De wetgever heeft dus ten aanzien van de in het RVV 1990 opgenomen regels niet willen weten van een handelen naar eigen inzicht als door de betrokkene voorgestaan.
3.6. Hetgeen de betrokkene aanvoert is derhalve niet van dien aard, dat geoordeeld zou moeten worden, dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat een lager bedrag van de sanctie zou moeten worden vastgesteld.
3.7. Het hof overweegt in verband met een opmerking van de betrokkene in de nadere toelichting van het hoger beroep nog, dat als gevolg van een kennelijke vergissing in het verweerschrift van de advocaat-generaal eenmaal de aanduiding "gemachtigde van de betrokkene" is genoemd in plaats van de betrokkene.
3.8. Op grond van het hierboven overwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

