
Jurisprudentie
AF1018
Datum uitspraak2002-10-16
Datum gepubliceerd2003-01-09
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/1600 AKW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-01-09
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/1600 AKW
Statusgepubliceerd
Indicatie
In belangrijke mate onderhouden in geval van plaatsing kind in pleeggezin/woongroep.
Verweerder heeft eiseres medegedeeld dat zij ingaande het tweede kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij haar dochter X, wonend achtereenvolgens in een pleeggezin en in een woongroep, niet in belangrijke mate onderhoudt. In maart 2001 is eiseres een ouderbijdrage o.g.v. het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening opgelegd.
Rb.: Eiseres heeft verklaard dat zij volledig voorziet in het onderhoud van A. Verweerder heeft het tegendeel niet aangetoond. Voorts is van belang dat de ouderbijdrage die aan eiseres is opgelegd op grond van art. 41a van de Wet jeugdhulpverlening, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, wordt geacht (ten dele) uit de kinderbijslag te worden betaald (Stb. 1995, 226, Kamerstukken 22060, nrs.5, blz.2, 8, blz.6 en 13, blz.1). Uitgangspunt is daarbij dat de ouder, ook al woont het kind niet meer thuis, in belangrijke mate in het onderhoud van het kind blijft voorzien. Dat de uithuisplaatsing, met het oog waarop de bijdrage wordt opgelegd, juist tot het vervallen van het recht op kinderbijslag zou kunnen leiden, is hiermee niet te rijmen. Voor zover verweerder ervan is uitgegaan dat sprake is van een kind als bedoeld in art. 5.1.d Besluit, is dit uitgangspunt gelet op het voorgaande onjuist. Eiseres onderhoudt haar dochter in belangrijke mate, tenzij de dochter een inkomen zou hebben dat het in art. 3 van het Besluit genoemde bedrag overschrijdt.
Verweerder heeft, door het recht op kinderbijslag afhankelijk te stellen van de hoogte van de door eiseres aangetoonde bijdrage in het levensonderhoud van haar dochter, een onjuiste toepassing gegeven aan het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag.
Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AS2802
Verweerder heeft eiseres medegedeeld dat zij ingaande het tweede kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij haar dochter X, wonend achtereenvolgens in een pleeggezin en in een woongroep, niet in belangrijke mate onderhoudt. In maart 2001 is eiseres een ouderbijdrage o.g.v. het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening opgelegd.
Rb.: Eiseres heeft verklaard dat zij volledig voorziet in het onderhoud van A. Verweerder heeft het tegendeel niet aangetoond. Voorts is van belang dat de ouderbijdrage die aan eiseres is opgelegd op grond van art. 41a van de Wet jeugdhulpverlening, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, wordt geacht (ten dele) uit de kinderbijslag te worden betaald (Stb. 1995, 226, Kamerstukken 22060, nrs.5, blz.2, 8, blz.6 en 13, blz.1). Uitgangspunt is daarbij dat de ouder, ook al woont het kind niet meer thuis, in belangrijke mate in het onderhoud van het kind blijft voorzien. Dat de uithuisplaatsing, met het oog waarop de bijdrage wordt opgelegd, juist tot het vervallen van het recht op kinderbijslag zou kunnen leiden, is hiermee niet te rijmen. Voor zover verweerder ervan is uitgegaan dat sprake is van een kind als bedoeld in art. 5.1.d Besluit, is dit uitgangspunt gelet op het voorgaande onjuist. Eiseres onderhoudt haar dochter in belangrijke mate, tenzij de dochter een inkomen zou hebben dat het in art. 3 van het Besluit genoemde bedrag overschrijdt.
Verweerder heeft, door het recht op kinderbijslag afhankelijk te stellen van de hoogte van de door eiseres aangetoonde bijdrage in het levensonderhoud van haar dochter, een onjuiste toepassing gegeven aan het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag.
Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AS2802
Uitspraak
Rechtbank ‘s-Gravenhage
sector bestuursrecht
eerste afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 02/1600 AKW
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
A, wonende te B, eiseres,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 22 januari 2002 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij met ingang van het tweede kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag voor haar dochter X. Tevens is medegedeeld dat het bedrag dat over het tweede kwartaal van 2001 aan kinderbijslag is betaald zal worden teruggevorderd.
Bij besluit van 20 maart 2002 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder besloten de over het tweede kwartaal van 2001 betaalde kinderbijslag terug te vorderen.
Eiseres heeft bij brief van 28 april 2002, ingekomen op 1 mei 2002, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 9 oktober 2002 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur.
Motivering
Eiseres is een alleenstaande moeder met een dochter, X, die is geboren op ….. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet.
Eiseres heeft begin 2001 een wijzigingsformulier bij verweerder ingediend, waarop zij heeft vermeld dat haar dochter op 18 december 2000 en op 14 maart 2001 uitwonend is geworden, doordat zij voor tijdelijke noodopvang in een pleeggezin is geplaatst. Met ingang van 14 maart 2001 is aan eiseres een ouderbijdrage op grond van het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening opgelegd. In juni 2001 is X in een woongroep geplaatst.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres met ingang van het tweede kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij X niet in belangrijke mate onderhoudt. De door eiseres opgegeven bedragen van kosten die zij voor het levensonderhoud van X in het tweede kwartaal heeft gemaakt, zijn lager dan het bedrag van f 791,- per kwartaal.
Eiseres meent dat zij wel recht heeft op kinderbijslag. Zij wijst er op dat zij het bedoelde bedrag niet kan betalen juist omdat zij geen kinderbijslag ontvangt.
Van belang zijn de volgende bepalingen.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een eigen kind dat
a. jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, of
b. jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.
Ingevolge het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld naar welke wordt beoordeeld of een eigen kind in belangrijke mate of grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden. Deze regels zijn gesteld in het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag (Stb 1995, 451).
Artikel 3 van het Besluit bepaalt, voor zover hier van belang, dat de verzekerde een kind in belangrijke mate onderhoudt indien het kind jonger is dan 16 jaar, het niet tot zijn huishouden behoort en het inkomen van het kind minder dan f 3540,- per kwartaal bedraagt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit wordt voor de toepassing van artikel 3 onder verzekerde verstaan de verzekerde die een kind verzorgt en onderhoudt en waarbij het kind niet tevens door een andere verzekerde wordt onderhouden.
Artikel 5, eerste lid, onder d, bepaalt dat een verzekerde een kind in belangrijke mate of grotendeels kan onderhouden indien het kind niet tot zijn huishouden behoort en waarbij een bijdrage in het onderhoud van het kind wordt geleverd door een derde, niet zijnde een verzekerde die een kind onderhoudt als bedoeld in artikel 3, 4 het tweede tot en met vierde lid van dit artikel, of artikel 6.
Ingevolge het derde lid onderhoudt de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een kind als bedoeld in het eerste lid, in belangrijke mate indien hij, naast het onderhoud, bedoeld in artikel 3, een bijdrage in het onderhoud van het kind levert van tenminste f 791,- ( met ingang van het vierde kwartaal 2001 f 823,-) per kwartaal.
Uit de nota van toelichting blijkt dat artikel 3 ziet op situaties waarin het vanzelfsprekend wordt geacht dat de aanvrager het kind onderhoudt, ook al is het kind uitwonend, tenzij het inkomen van dat kind hoger is dan het in artikel 3 genoemde bedrag. Artikel 5 heeft betrekking op uitzonderingssituaties waarin dit onderhoud niet vanzelfsprekend is. Alleen in die gevallen moet de aanvrager aantonen dat hij het niet tot zijn huishouden behorend kind onderhoudt.
Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 5 in dit geval niet van toepassing. Eiseres heeft verklaard dat zij volledig voorziet in het onderhoud van A. Verweerder heeft het tegendeel niet aangetoond. Voorts is van belang dat de ouderbijdrage die aan eiseres is opgelegd op grond van artikel 41a van de Wet jeugdhulpverlening, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, wordt geacht (ten dele) uit de kinderbijslag te worden betaald (Stb. 1995, 226, Kamerstukken 22060, nrs.5, blz.2, 8, blz.6 en 13, blz.1). Uitgangspunt is daarbij dat de ouder, ook al woont het kind niet meer thuis, in belangrijke mate in het onderhoud van het kind blijft voorzien. Dat de uithuisplaatsing, met het oog waarop de bijdrage wordt opgelegd, juist tot het vervallen van het recht op kinderbijslag zou kunnen leiden, is hiermee niet te rijmen.
Voor zover verweerder ervan is uitgegaan dat sprake is van een kind als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d, van het Besluit, is dit uitgangspunt gelet op het voorgaande onjuist. Eiseres onderhoudt haar dochter in belangrijke mate, tenzij de dochter een inkomen zou hebben dat het in artikel 3 van het Besluit genoemde bedrag overschrijdt.
Verweerder heeft, door het recht op kinderbijslag afhankelijk te stellen van de hoogte van de door eiseres aangetoonde bijdrage in het levensonderhoud van haar dochter, een onjuiste toepassing gegeven aan het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag.
Het besluit, waarbij is geoordeeld dat eiseres met ingang van het tweede kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag, is dus in strijd met artikel 7 van de AKW.
Het besluit van 20 maart 2002, waarbij dit besluit is gehandhaafd, zal daarom worden vernietigd. Het beroep is gegrond.
Verweerder dient naar aanleiding van het bezwaarschrift opnieuw te beslissen omtrent het recht op kinderbijslag. Met het oog op de belangen van eiseres bestaat aanleiding daarvoor, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, een termijn te stellen.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 20 maart 2002;
draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht, groot € 27,23, aan haar dient te vergoeden.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Graefe.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op:

