
Jurisprudentie
AF1068
Datum uitspraak2002-11-20
Datum gepubliceerd2002-11-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/00730
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-11-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/00730
Statusgepubliceerd
Uitspraak
WAHV 02/00730
20 november 2002
CJIB 99049144824
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage
van 19 juli 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro€ 80 opgelegd ter zake van "overschrijding van de maxiumumsnelheid op (auto)wegen bubekom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1); > 10 en t/m 15 km/h (feitcode S230b)", welke gedraging zou zijn verricht op 16 januari 2002 op de Hoogeveenseweg te Benthuizen.
3.2. In het beroepschrift aan de officier van justitie verklaart de betrokkene als volgt: "Nabij Benthuizen geldt ter hoogte van de HSL-bouwplaats een snelheidslimiet van 50 km p/u over een afstand van ca. 300 meter. Bij de nadering van dit weggedeelte verminderde ik mijn snelheid en zag tegelijkertijd in mijn spiegel een witte auto naderen, waarvan ik de indruk had dat hij te hard bleef doorrijden ondanks mijn afremmen. Daarom heb ik enkele malen pompend (en dus langzamer) afgeremd om hem te waarschuwen. Inmiddels was mijn snelheid afgenomen tot circa 60 km p/u: op dat moment werd mijn auto gefotografeerd. Ik schat, dat ik op dat moment 75 à 100 m van het 50 km-traject had afgelegd".
3.3. Gelet op de verklaring van de betrokkene zelf, de zich bij de gedingstukken bevindende foto's waarmee de gedraging is waargenomen en de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de betrokkene de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden, zoals vermeld in de inleidende beschikking. De suggestie van de betrokkene, dat de auto waarvan de snelheid is gemeten de naderende witte auto geweest zou kunnen zijn ziet eraan voorbij, dat een tweetal foto's is gemaakt waarop de auto van de betrokkene voorkomt, één waarop alleen de auto van de betrokkene te zien valt, centraal in beeld en een tweede, waarop de auto van de betrokkene naar links het beeld uitrijdt, terwijl aan de rechterzijde van de foto de witte auto nog zover verwijderd is, dat hij de radarstraal waarmee ter plaatse de snelheid is gemeten nog niet heeft bereikt. De op de tweede foto vermelde gegevens hebben dan ook betrekking op de auto van de betrokkene. Uit de tweede foto blijkt tevens dat de witte auto die achter de betrokkene reed een behoorlijke afstand van het voertuig van de betrokkene was verwijderd, zodat voor zover de betrokkene ingang wil vinden, dat hij door het rijgedrag van de bestuurder van deze auto niet aan de verplichting kon voldoen de maximumsnelheid ter plaatse in acht te nemen, dit niet aannemelijk moet worden geacht.
3.4. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat er in casu geen sprake was van wegwerkzaamheden. Hiertoe voert de betrokkene aan dat wegwerkzaamheden werkzaamheden aan de weg zijn, maar dat volgens de verbalisant de werkzaamheden bestonden uit het af en aan rijden van vrachtauto's zodat de opslag van de sanctie in verband met wegwerkzaamheden in ieder geval zou moeten vervallen.
3.5. Art. 62 RVV 1990 bepaalt: "weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden". Daarbij moet worden vooropgesteld, dat het niet aan de weggebruiker is om te beoordelen of een verkeersteken conform de voorschriften en terecht is aangebracht. Immers het belang van de verkeersveiligheid staat aan een dergelijke toetsing in de weg (HR 10 juni 1986, NJ 1987,42).
3.6. Ten aanzien van de vraag of terecht in de gedraging is opgenomen, dat de overschrijding van de maximumsnelheid plaatsvond "bij wegwerkzaamheden" overweegt het hof het volgende. Ingevolge art. 34 van het BABW in verbinding met art. 12 BABW kunnen door het bevoegd gezag dan wel door het openbaar lichaam, dat het beheer heeft over een weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de eigenaar van de weg ingeval van de uitvoering van werken verkeerstekens, waaronder bord A1, worden geplaatst. Onder "wegwerkzaamheden" in de omschrijving van de, - onder meer - onder feitcode S230b opgenomen gedraging moet worden verstaan "uitvoering van werken" als bedoeld in art. 34 van het BABW. Het af en aan rijden van vrachtwagens naar een bouwterrein kan in verband met het gevaarzettend karakter bezwaarlijk anders worden opgevat dan als uitvoering van werken in de zin van art. 34 BABW.
3.7. Het hof merkt nog op dat ook indien ten tijde van de door de betrokkene begane gedraging niet meer daadwerkelijk werkzaamheden zouden zijn verricht, hetgeen overigens in strijd is met hetgeen de verbalisant hieromtrent heeft opgemerkt, dat geen omstandigheid oplevert, die oplegging van een sanctie niet billijkt of tot een lager bedrag van de sanctie moet leiden. Voor een gedraging als de onderhavige is niet vereist dat er ten tijde van de gedraging ook daadwerkelijk werd gewerkt (vergelijk HR 12 mei 1998, VR 1998/162). Het hof ziet dan ook geen reden om de opslag van de sanctie in verband met wegwerkzaamheden te laten vervallen zoals door betrokkene bepleit. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

