Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF1168

Datum uitspraak2002-11-27
Datum gepubliceerd2002-11-27
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200201316/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200201316/1. Datum uitspraak: 27 november 2002. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 18 januari 2002 in het geding tussen: appellanten en burgemeester en wethouders van Utrecht. 1. Procesverloop Burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: burgemeester en wethouders) hebben bij besluiten van 23 februari 1999 en 7 december 1999 de Kaatstraat te Utrecht met ingang van 12 april 2000 voor het verkeer in twee richtingen opengesteld. Bij besluit van 31 oktober 2002 hebben burgemeester en wethouders de daartegen door de Bewonersgroep Leefbaar Votulast gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 18 januari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 1 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2002, waar appellanten vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. S. Ramdoelare Tewari en H. Servaas, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt, voorzover hier van belang, dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. 2.2. Vaststaat dat appellanten geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit dat aan dit geschil ten grondslag ligt voor zover het betreft het opnieuw openstellen van de Kaatstraat voor tweerichtingverkeer. Niet is gebleken van omstandigheden die nopen tot het oordeel dat appellanten daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Aan appellanten kwam dan ook ingevolge het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb niet het recht toe beroep bij de rechtbank in te stellen. De rechtbank heeft dit miskend. 2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk verklaren. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van in aanmerking te nemen kosten niet is gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 18 januari 2002, SBR 00/2387; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellanten niet-ontvankelijk. IV. gelast dat de gemeente Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,-- vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink w.g. De Koning Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2002. 221.