
Jurisprudentie
AF1565
Datum uitspraak2002-11-26
Datum gepubliceerd2002-12-13
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers02/621 WOW44
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-12-13
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers02/621 WOW44
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering gemeenteraad van 19.1 WRO-vrijstelling maakt voor de beroepsmogelijkheid niet deel uit van de beschikking waarop zij betrekking heeft.
Weigering bouwvergunning voor 8 windturbines. Sprake is van strijd met het geldende bestemmingsplan. De raad heeft geweigerd om toepassing te geven aan art. 19.1 WRO (nieuw). Derhalve diende het college van B&W (verweerder) de bouwvergunning te weigeren. De veronderstelling dat de weigering van de gemeenteraad om toepassing te geven aan art. 19.1 WRO in deze procedure mede ter beoordeling voorligt, berust op een onjuiste lezing van art. 49.5 Woningwet. In die bepaling is immers geregeld dat slechts de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep geacht wordt deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft, dus niet de weigering daarvan zoals in dit geval.
De parlementaire geschiedenis van art. 49.5 Woningwet biedt geen aanknopingspunt voor een ruimere interpretatie.
Ongegrond beroep.
Het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlan, verweerder.
mr. P.G. Wijtsma
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 02/621 WOW44
Inzake het geding tussen
GEP Windturbine BV, gevestigd te Helmond, eiseres,
gemachtigde: J.M. Jansma,
en
het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, verweerder,
gemachtigde: G.J. Hooites, ambtenaar in dienst van de gemeente Skarsterlân.
Procesverloop
Bij brief van 6 mei 2002 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 12 april 2002 betreffende de toepassing van de Woningwet.
Tegen dit besluit is namens eiseres op 24 mei 2002 beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 29 oktober 2002. Partijen hebben zich aldaar doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden.
Motivering
Op 1 augustus 2001 heeft eiseres een bouwvergunning aangevraagd voor de oprichting van 8 windturbines op de locatie van de voormalige vuilstort te Ouwsterhaule, kadastraal gemeente Langweer, sectie B, nrs. 4352, 3150, 4102, 4359 en 4358.
Bij besluit van 5 december 2001 (verzonden op 11 december 2001) heeft verweerder de bouwvergunning geweigerd wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Doniawerstal", op grond waarvan op de bouwlocatie de bestemming "Agrarisch gebied C" rust.
Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard en is het primaire besluit van 5 december 2001 gehandhaafd.
De rechtbank overweegt als volgt.
In art. 44 Woningwet is bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het bouwbesluit, of indien het bouwplan naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.
Ingevolge art. 46 lid 1 Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. Deze bepaling is echter niet van toepassing indien -zo is bepaald in art. 46 lid 3 Woningwet- de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na de verlening van een dergelijke vrijstelling, wordt mede geacht een verzoek tot verlening van zodanige vrijstelling in te houden.
Niet in geschil is dat het bouwplan voor het oprichten van 8 windturbines op de locatie van de voormalige vuilstort te Ouwsterhaule in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft dan ook, uitvoering gevend aan art. 46 lid 3 Woningwet, de bouwaanvraag ter kennis gebracht van de gemeenteraad. De raad heeft bij besluit van 28 november 2001 geweigerd om toepassing te geven aan art. 19 lid 1 WRO. Nu de strijd met het bestemmingsplan niet is opgeheven door het verlenen door de gemeenteraad van vrijstelling daarvan, diende verweerder de bouwvergunning te weigeren.
De rechtbank voegt hier nog aan toe, dat ter zitting is gebleken dat zowel verweerder als eiseres in de veronderstelling verkeerden dat de weigering van de gemeenteraad om toepassing te geven aan art. 19 lid 1 WRO in deze procedure mede ter beoordeling voorligt. Deze veronderstelling berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van art. 49 lid 5 Woningwet. In die bepaling is immers geregeld dat slechts de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep geacht wordt deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft, dus niet de weigering daarvan zoals in het onderhavige geval. De parlementaire geschiedenis van art. 49 lid 5 Woningwet biedt geen aanknopingspunt voor een ruimere interpretatie.
De onderhavige beroepsprocedure is derhalve beperkt tot de beoordeling van de beslissing op bezwaar van burgemeester en wethouders van Skarsterlân van 12 april 2002 inzake de weigering een bouwvergunning te verlenen. Voor zover eiseres van mening is dat haar bezwaarschrift mede gericht geacht is tegen de beslissing van de raad van 28 november 2001 inzake de weigering van vrijstelling ex art. 19 lid 1 WRO, zal zij zich tot dit bestuursorgaan moeten wenden
Op grond van bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2002, in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.
w.g. F.P. Dillingh
w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 26 november 2002

