Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF2662

Datum uitspraak2002-11-21
Datum gepubliceerd2003-01-23
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/03337 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verlengde bezwaartermijn van 13 weken is niet van toepassing op burgerambtenaren van Defensie. Bezwaarschrift tegen waardering functie van eiseres, werkzaam in Ottawa (Canada), ongegrond verklaard. Bezwaartermijn is overschreden. Eiseres heeft als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn verwezen naar de bezwaarclausule in het primaire besluit. Deze luidt als volgt: “Tegen dit besluit kunt u binnen zes weken, of indien u zich om redenen van dienst in het buitenland bevindt, binnen dertien weken, schriftelijk bezwaar aantekenen (heroverweging vragen) bij mij [waarna het adres voor indiening van het bezwaarschrift volgt]”. Deze clausule is kennelijk gebaseerd op art. 3.1, Militaire ambtenarenwet 1931 en heeft ingevolge art. 1 van genoemde wet alleen betrekking op (gewezen) militair beroeps- en reservepersoneel. Voor die categorieën militaire ambtenaren geldt een verlengde termijn voor het indienen van bezwaar en beroep van dertien weken voor het geval van plaatsing om dienstredenen in het buitenland. Nu eiseres te Ottawa werkzaam was als burgerambtenaar van Defensie, gold deze verlengde bezwaartermijn voor haar niet en diende zij ingevolge art. 6:7 Awb binnen zes weken bezwaar in te dienen. Hoewel de rechtbank deze situatie als een duidelijke lacune in de Awb ervaart, die bovendien op gespannen voet lijkt te staan met het gelijkheidsbeginsel, heeft de rechtbank de wet toe te passen zoals zij daar ligt. Volgens vaste jurisprudentie is in een onjuiste bezwaarclausule geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gelegen. Voorts is ter zitting niet een zodanige datum van feitelijke uitreiking aan eiseres komen vast te staan dat, gerekend van die datum, het bezwaarschrift van 25 april 2001 binnen de geldende termijn van zes weken - mitsdien tijdig - was ingediend. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Gegrond beroep. De Staatssecretaris van Defensie, verweerder. mr. J.W. Sentrop


Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 01/03337 AW Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen A, wonende te B, eiseres, en de Staatssecretaris van Defensie, verweerder. Motivering Eiseres was, ten tijde hier van belang, werkzaam als […] van de defensie-attaché (office manager) ter standplaats X (Canada). Op 22 juni 2000 heeft eiseres verweerder verzocht om een herwaardering van haar functie. Bij besluit van 1 februari 2001 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de functie inhoudelijk was geanalyseerd en vergeleken met soortgelijke functies elders in de organisatie. Op grond van het waarderingsresultaat bleef het niveau van haar functie gehandhaafd op salarisschaal 6. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 april 2001 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 augustus 2001, uitgereikt aan eiseres op 15 augustus 2001, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 september 2001, aangeboden op 11 september 2001 aan de koeriersdienst DHL en binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 20 september 2001, beroep ingesteld. Het primaire besluit is bekendgemaakt op 1 februari 2001, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen op 2 februari 2001 en geëindigd op 15 maart 2001. Het bezwaarschrift van eiseres is niet tijdig ingediend. Eiseres heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen aangeven wanneer zij het primaire besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Zij heeft genoemd besluit op de ambassade ontvangen door tussenkomst van de C-NAK VS/Canada, die in Washington DC (Verenigde Staten) kantoor houdt. Hoe lang met deze wijze van verzending gemoeid is geweest kon eiseres zich niet herinneren. Op het in haar bezit zijnde originele besluit is op de ambassade geen datumstempel van ontvangst geplaatst. Eiseres heeft als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn verwezen naar de bezwaarclausule in het primaire besluit. Deze luidt als volgt: “Tegen dit besluit kunt u binnen zes weken, of indien u zich om redenen van dienst in het buitenland bevindt, binnen dertien weken, schriftelijk bezwaar aantekenen (heroverweging vragen) bij mij [waarna het adres voor indiening van het bezwaarschrift volgt]”. Deze clausule is kennelijk gebaseerd op artikel 3, eerste lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931 en heeft ingevolge artikel 1 van genoemde wet alleen betrekking op (gewezen) militair beroeps- en reservepersoneel. Voor die categorieën militaire ambtenaren geldt een verlengde termijn voor het indienen van bezwaar en beroep van dertien weken voor het geval van plaatsing om dienstredenen in het buitenland. Nu eiseres te Ottawa werkzaam was als burgerambtenaar van Defensie, gold deze verlengde bezwaartermijn voor haar niet en diende zij ingevolge artikel 6:7 van Awb binnen zes weken bezwaar in te dienen. Hoewel de rechtbank deze situatie als een duidelijke lacune in de Algemene wet bestuursrecht ervaart, die bovendien op gespannen voet lijkt te staan met het gelijkheidsbeginsel, heeft de rechtbank de wet toe te passen zoals zij daar ligt. Volgens vaste jurisprudentie is in een onjuiste bezwaarclausule geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gelegen. Voorts is ter zitting niet een zodanige datum van feitelijke uitreiking aan eiseres komen vast te staan dat, gerekend van die datum, het bezwaarschrift van 25 april 2001 binnen de geldende termijn van zes weken - mitsdien tijdig - was ingediend. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder, met toepassing van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder e., van het Besluit proces- kosten bestuursrecht, te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Het betreft de verzendkosten van haar beroepschrift met gebruikmaking van de koeriersdienst DHL, ten bedrage van € 15,43, zijnde de tegenwaarde van CND 25 tegen de destijds geldende koers van NLG 1,36 voor CND 1. Aangezien eiseres zich in dit beroep niet van rechtsbijstand heeft voorzien en ook anderszins niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, beperkt de kostenveroordeling zich tot evengenoemd bedrag. Gelet op het voorgaande wordt beslist als volgt. Beslissing De Rechtbank ‘s-Gravenhage, RECHT DOENDE: Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit; Verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk; Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 102,10, vergoedt. Veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) in de proceskosten ten bedrage van € 15,43, welke kosten voormelde rechts- persoon aan eiseres dient te vergoeden. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2002, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.S.E. Hage als griffier. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Rechtbank ‘s-Gravenhage, Verzonden op: