Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF3043

Datum uitspraak2003-01-17
Datum gepubliceerd2003-02-14
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/96349 BEPTDN AS 7
Statusgepubliceerd


Indicatie

AC-procedure / opvang. Gelet op de twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit komt de voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking in dier voege dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst. De schorsing van het besluit heeft niet tot gevolg dat verzoeker gedurende de behandeling van het beroep voor opvang in aanmerking komt. De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel er geen wettelijke grondslag bestaat voor opvang in de AC-procedure, dit er niet aan in de weg staat dat gedurende de behandeling van het beroep in opvang wordt voorzien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker in een andere situatie verkeert dan de in de AC-procedure afgewezen asielzoeker die binnen een termijn van vier weken uitsluitsel over zijn verblijfspositie heeft. Bij de oordeelsvorming heeft de voorzieningenrechter voorts betrokken de door verweerder ingenomen stellingen in het kamerdebat naar aanleiding van kamervragen over noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Blijkens deze citaten neemt verweerder het standpunt in dat, indien de rechter de voorlopige voorziening toewijst, er sprake is van rechtmatig verblijf en de vreemdeling wordt opgevangen. Tevens neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat namens verweerder naar voren is gebracht dat in een interne werkinstructie de door verweerder in voornoemd debat gedane toezeggingen in die zin zijn verwoord dat, indien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toewijst, de vreemdeling voor opvang in aanmerking komt en dat de COA hiervan op de hoogte is gesteld. Toewijzing verzoek.


Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zitting houdende te Assen Vreemdelingenkamer Voorzieningenrechter Regnr.: AWB 02/96349 BEPTDN AS 7 uitspraak: 17 januari 2003 U I T S P R A A K inzake: A, geboren op [...] 1979, van Sierraleoonse nationaliteit, IND-dossiernummer: 0212.27.8013, verzoeker, gemachtigde: mr. S.R. Nohar, advocaat te Lemmer; tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE, (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. P. van IJzendoorn, ambtenaar ten departemente. PROCESVERLOOP Op 27 december 2002 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 31 december 2002 afwijzend op de aanvraag beslist. Bij beroepschrift van 31 december 2002 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de beschikking van 31 december 2002. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 02/96350 BEPTDN A S7. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 31 december 2002 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de voorzieningenrechter en verzoeker gezonden. De openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 10 januari 2003. Verzoeker noch zijn gemachtigde zijn aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. MOTIVERING Standpunten van partijen Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn asielrelaas het volgende naar voren gebracht. Verzoeker is afkomstig uit Koidu Town te Sierra Leone. Verzoeker is uit Sierra Leone vertrokken omdat zijn broer problemen had met een luitenant over een diamant en verzoeker vreesde ook zelf problemen te krijgen met de soldaten. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas is aangetast en dat, voor zover wordt uitgegaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker, deze geen grond vormen om ten aanzien van verzoeker tot vluchtelingschap te concluderen. Evenmin bestaat anderszins aanspraak op verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Met betrekking tot de door verzoeker gestelde aanspraak op een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, is verweerder van oordeel dat de algehele (veiligheids)situatie in Sierra Leone niet van dusdanige aard is dat deze zou leiden tot de conclusie dat het voeren van een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. Verweerder verwijst hierbij naar zijn besluit van 16 september 2002, waarmee besloten is tot beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers van Sierraleoonse nationaliteit. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgedaan, nu het relaas wel geloofwaardig is. Voorts voert verzoeker in beroep aan dat verweerder bij afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat het categoriaal beschermingsbeleid niet langer is geïndiceerd. Beoordeling van het verzoek Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst; d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Blijkens het verzoekschrift heeft verzoeker gemotiveerd het standpunt ingenomen dat de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid inzake Sierra Leone de rechterlijke toets niet kan doorstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op hetgeen in dit verband door verzoeker is aangevoerd, er twijfel bestaat over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en dat ter beoordeling van de zaak nader onderzoek aangewezen is. De voorzieningenrechter zal dan ook geen toepassing geven aan artikel 8:86 Awb. In de (nadere aanvullende) gronden van het verzoekschrift heeft verzoeker verzocht de bestreden beschikking te schorsen en de voorlopige voorziening te treffen dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten en gedurende die periode hier te lande opvang zal genieten. Gelet op de twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit komt de voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking in dier voege dat de werking van het bestreden besluit van 31 december 2002 wordt geschorst totdat op het tegen dit besluit ingestelde beroep is beslist. De schorsing van het besluit heeft tot gevolg dat verweerder zich moet onthouden van iedere maatregel dan wel voorbereiding gericht op uitzetting van verzoeker tot op het beroep is beslist. De schorsing van het besluit heeft echter niet tot gevolg dat verzoeker gedurende de behandeling van het beroep voor opvang in aanmerking komt, nu de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd binnen 48 proces-uren niet tot rechtsgevolg heeft dat de opvang wordt beëindigd. Immers, gedurende de behandeling van de aanvraag in een AC, is er, zoals ook verweerder ter zitting heeft betoogd, géén sprake van het verlenen van verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. Het verblijf in een aanmeldcentrum vindt zijn grondslag in artikel 55 Vw 2000, waarin wordt bepaald dat de vreemdeling zich in verband met het onderzoek naar de aanvraag beschikbaar moet houden op een daartoe door de Minister aangewezen plaats. Verweerder heeft in dit verband ter zitting het standpunt ingenomen dat de gevraagde voorziening in zoverre niet connex is aan het beroep, zodat het verzoek in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Indien verzoeker voor opvang in aanmerking wil komen, dient hij daartoe een aanvraag in te dienen bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). De voorzieningenrechter is, anders dan verweerder, van oordeel dat er geen sprake is van het ontbreken van connexiteit. Indien de rechtbank, oordelend in beroep, het beroep gegrond acht en dientengevolge het besluit zal worden vernietigd, zal het stadium van de procedure zich wederom in de aanvraagfase bevinden en de behandeling van de aanvraag verder in een opvanglocatie plaats vinden, waarbij de opvang is geregeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën asielzoekers 1997 (Rva). Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat, hoewel gelet op artikel 1, aanhef en onder c, Rva in samenhang met artikel 3, eerste lid Rva, er geen opvang bestaat voor een in de AC-procedure afgewezen asielzoeker zoals verzoeker, dit niet in de weg staat aan toewijzing van de gevraagde voorziening dat gedurende de behandeling van het beroep in opvang wordt voorzien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het feit dat de voorzieningenrechter geen gebruik maakt van de bevoegdheid van artikel 8:86 Awb, meebrengt dat verzoeker gedurende thans nog niet te bepalen tijd geen recht heeft op opvang. Hiermee verkeert verzoeker in een andere situatie dan de in de AC-procedure afgewezen asielzoeker die binnen een termijn van vier weken nadat zijn aanvraag is afgewezen uitsluitsel over zijn verblijfspositie heeft omdat de voorzieningenrechter wel gebruik heeft gemaakt van voornoemde bevoegdheid. Deze termijn van vier weken vloeit voort uit de richtlijnen die de vreemdelingenkamers toepassen bij de uitoefening van hun processuele bevoegdheden. Bij de oordeelsvorming heeft de voorzieningenrechter voorts betrokken de door verweerder ingenomen stellingen in het kamerdebat naar aanleiding van vragen van Halsema (Groen Links) over noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Blijkens de verslaglegging van dit debat (Tweede Kamer, 3 en 4 december 2002; 28-1996 t/m 28-2000 en 29-2127 t/m 2136) heeft verweerder het volgende naar voren gebracht: "Als de rechter de voorlopige voorziening toewijst, mag men wachten tot het beroep wordt behandeld en wordt men opgevangen. (…). In ieder geval streef ik ernaar om rechtmatig in Nederland verblijvende asielzoekers opvang te verstrekken. Dat is het meest logische. Tot nu toe was dat niet het geval, maar ik heb dit veranderd bij de Dublinclaimanten. Ik vind ook dat het zo moet zijn voor mensen die een voorlopige voorziening hebben gevonden en hun beroep hier mogen afwachten". Blijkens deze citaten neemt verweerder het standpunt in dat, indien de rechter de voorlopige voorziening toewijst, er sprake is van rechtmatig verblijf en de vreemdeling wordt opgevangen. In het vervolg van het debat heeft verweerder dit standpunt niet expliciet teruggenomen. Tevens neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ter zitting namens verweerder naar voren is gebracht dat in een interne werkinstructie de door verweerder in voornoemd debat gedane toezeggingen in die zin zijn verwoord dat, indien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toewijst, de vreemdeling voor opvang in aanmerking komt en dat de COA hiervan op de hoogte is gesteld. Gelet op het vorenoverwogene wordt de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening toegewezen. Voor vergoeding van de kosten die verzoeker in verband met het indienen van het verzoekschrift of het beroepschrift heeft moeten maken bestaat aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verweerder wordt gelast uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist; - bepaalt dat verweerder er voor zorgt draagt dat er in opvang voor verzoeker wordt voorzien totdat op het beroep is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 322,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te voldoen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. Aldus gegeven door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.B. Koster als griffier op 17 januari 2003. Afschrift verzonden op: 17 januari 2003