Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF3100

Datum uitspraak2003-03-04
Datum gepubliceerd2003-07-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01404/02
Statusgepubliceerd


Indicatie

4 maart 2003 Strafkamer nr. 01404/02 EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2002, nummer 23/002535-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord (Amerswiel) te Heerhugowaard. 1. De bestreden uitspraak ...


Conclusie anoniem

Nr. 01404/02 Mr Fokkens Zitting: 14 januari 2003 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de Rechtbank te Haarlem bevestigd waarbij verdachte is veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. 2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen. 3. Namens verdachte heeft mr A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld. 4. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte de invoer van cocaïne in Nederland bewezen heeft geacht. Het opzet van verdachte was niet gericht op het invoeren van cocaïne in Nederland, maar uitsluitend op het invoeren in Spanje. 5. De Rechtbank heeft in de aanvulling op het verkorte vonnis het volgende overwogen: "De rechtbank is van oordeel dat de cocaïne, eenmaal de buitengrens van Nederland gepasseerd en op Schiphol aangekomen, door verdachte in zijn reistas binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Dat het slechts om een tussenlanding ging, maakt niet dat de vereiste opzet tot invoer in Nederland ontbrak. Verdachte heeft immers door de route van zijn vliegticket te volgen, ervoor gekozen - in transit - Nederland aan te doen." 6. Verder heeft het Hof de bewijsmiddelen aangevuld met verdachtes verklaring in hoger beroep, voor zover van belang luidende: " Wij zouden via Schiphol (Amsterdam) van Sao Paulo naar Madrid terugvliegen op 29 maart 2001." 7. Het door het Hof overgenomen oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Uit haar door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring blijkt dat verdachte wist dat zij in Amsterdam een tussenlanding zou maken. Derhalve heeft verdachte opzettelijk - zij had zich gerealiseerd dat zij zeer waarschijnlijk verdovende middelen vervoerde - in haar bagage cocaïne binnen het Nederlands grondgebied gebracht. Dat de uiteindelijke bestemming van de cocaïne Spanje was, doet daar niets aan af. 8. Het middel faalt. 9. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat een materiaal van ongeveer 19137,1 gram bevattende cocaïne is ingevoerd. Het Hof heeft ten onrechte niet gerespondeerd op het verweer dat het totaalgewicht cocaïne relatief gering was. 10. In hoger beroep is door de verdediging blijkens de pleitnota opnieuw het verweer gevoerd dat het totaalgewicht van de cocaïne lager is dan de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring opgenomen 19137,1 gram. De Rechtbank heeft in de aanvulling strafvonnis onder kopje 5. "bewijsoverweging" als volgt op dit verweer gerespondeerd: "Dit betoog ziet er naar het oordeel van de rechtbank aan voorbij dat de tenlastelegging het gewicht vermeldt van een materiaal, waarvan vervolgens wordt aangegeven dat het cocaïne bevat." 11. Ik begrijp het middel aldus dat de door het Hof overgenomen overweging van de Rechtbank onbegrijpelijk is, omdat 19137,1 gram het resultaat is van de optelling van het totale gewicht van de pasta waarin cocaïne was verwerkt (18639,1 gram) en het gewicht van de in de inbeslaggenomen vloeistof (totaal 902,3 gram) aangetroffen cocaïne, zijnde 498 gram. Op deze wijze zouden ten onrechte een hoeveelheid stof die cocaïne bevat (de pasta) en een hoeveelheid cocaïne als gelijkwaardige grootheden bij elkaar geteld. 12. Die klacht is niet gegrond. De omstandigheid dat de bewezenverklaarde 19137,1 ten dele bestaat uit pasta die een onbekende hoeveelheid cocaïne bevat en ten dele bestaat uit een bekende hoeveelheid in vloeistof aangetroffen cocaïne, neemt immers niet weg dat het totaal kan worden getypeerd als 19137,1 gram van een stof die cocaïne bevat. 13. Het middel faalt. 14. Het derde middel klaagt dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer. 15. Ter terechtzitting heeft de raadsman blijkens de pleitnotities aangevoerd: "Daarnaast is het zo dat indien de lezing van de Rechtbank gevolgd kan worden dat het moet gaan om het totale gewicht, het uit oogpunt van de straftoemeting onjuist is, om op grond van 1 pond cocaïne iemand een dusdanige lange straf te geven als door de Rechtbank is gedaan. In het bijzonder verwijs ik naar een recent krantenbericht, waaruit blijkt dat justitie smokkelaars met een gewicht van maximaal een kilo cocaïne niet in de voorlopige hechtenis stelt, in ieder geval dient een overeenkomstige straf te worden opgelegd." In de kantlijn staat handgeschreven "plus nieuwste richtlijnen". 16. Het Hof heeft zoals gezegd het vonnis van de Rechtbank bevestigd. Het vonnis bevat de volgende strafmotivering: "Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking: Verdachte heeft zich samen met haar medeverdachte schuldig gemaakt aan invoer van een zeer grote hoeveelheid cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en de handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf op haar plaats is dan één, die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarbij komt in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat de samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte zodanig nauw was, dat haar, net als haar medeverdachte, het verwijt wordt toegerekend voor het totale gewicht van de cocaïne." 17. Aldus heeft de Rechtbank de straf afdoende gemotiveerd. Het middel ziet eraan voorbij dat het oordeel van de Rechtbank dat het niet slechts om de ongeveer 500 gram cocaïne die in de vloeistof was verwerkt ging, maar ook om een aanzienlijke hoeveelheid in pasta verwerkte cocaïne niet onbegrijpelijk is. De omstandigheid dat het gehalte aan cocaïne in die pasta niet is bepaald doet daar niet aan af. De raadsman stelt zich blijkens zijn pleitnota en de toelichting op het middel op het standpunt dat enkel de in de monsters van het NFI aangetroffen hoeveelheid cocaïne (ongeveer een pond) kan worden bewezen, en stelt zich op grond hiervan op het standpunt dat de door de Rechtbank opgelegde straf te hoog is. Dit betoog kan, gelet op de bewezenverklaring, niet worden beschouwd als een strafmaatverweer dat een nadere motivering van de opgelegde straf noodzakelijk maakt. 18. Ook dit middel faalt. 19. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. 20. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.


Uitspraak

4 maart 2003 Strafkamer nr. 01404/02 EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2002, nummer 23/002535-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord (Amerswiel) te Heerhugowaard. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 juli 2001, waarbij de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt dat het Hof, het vonnis van de Rechtbank bevestigend, ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, op de grond dat het opzet van de verdachte uitsluitend was gericht op het invoeren van die cocaïne in Spanje. De Hoge Raad begrijpt het middel aldus dat het opkomt tegen de verwerping door het Hof van een dienovereenkomstig in hoger beroep gevoerd verweer ter bestrijding van het tenlastegelegde opzet. 3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "zij op 29 maart 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 19.137,1 gram, van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I." 3.3. In de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv van het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank is een in eerste aanleg namens de verdachte gevoerd verweer - dat in hoger beroep is herhaald - als volgt weergegeven en verworpen: "Volgens de raadsman was de bestemming van het transport niet Nederland, maar Spanje. De wil van de verdachte is er dan ook niet op gericht geweest de cocaïne in Nederland in te voeren. De rechtbank is van oordeel dat de cocaïne, eenmaal de buitengrens van Nederland gepasseerd en op Schiphol aangekomen, door verdachte in haar reistas binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Dat het slechts om een tussenlanding ging, maakt niet dat de vereiste opzet tot invoer in Nederland ontbrak. Verdachte heeft immers door de route van haar vliegticket te volgen, ervoor gekozen - in transit - Nederland aan te doen." 3.4. Aldus heeft het Hof - het vonnis van de Rechtbank ook in zoverre bevestigend - het verweer op toereikende gronden verworpen. 3.5. Het middel faalt dus. 4. Beoordeling van de overige middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 4 maart 2003.