Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF3479

Datum uitspraak2003-01-29
Datum gepubliceerd2003-01-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-000108-02
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Parketnummer: 24-000108-02 Arrest d.d. 29 januari 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van het arrondissement Assen d.d. 30 januari 2002 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 1 Gev., Lunettenlaan 501, 5263 NT Vught, verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.A. van der Velde, advocaat te Utrecht. Het vonnis waarvan beroep. De rechtbank van het arrondissement Assen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, een en ander als in het vonnis nader omschreven. Aanwending van het rechtsmiddel. De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 7 februari 2002 respectievelijk d.d. 6 februari 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 15 januari 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering. De beslissing op het hoger beroep. Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging. Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding. Het hof leest de in de tenlastelegging voorkomende naam [naam slachtoffer] verbeterd in [naam slachtoffer], zijnde hier sprake van een kennelijke misslag, door verbeterde lezing waarvan verdachte niet in zijn - door de dagvaarding beschermde - belang kan zijn geschaad. Vrijspraak. Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus primair aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring. Ten aanzien van de verdachte acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat: hij op 26 juli 2001, te Meppel, opzettelijk [slachtoffer], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst en/of de buik en/of de rug/zij gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie. Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf: subsidiair: doodslag. Strafbaarheid. Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. Strafmotivering. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren. Zowel de verdachte als de officier van justitie zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Ter 's hofs terechtzitting heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde "moord" zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren. Het hof heeft in hoger beroep - met een bewezenverklaring ter zake van "doodslag" - de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op 26 juli 2001 in Meppel zijn voormalige vriendin, de 34-jarige [slachtoffer], opzettelijk van het leven beroofd door haar meermalen met een mes in het lichaam te steken. Het nemen van eens anders leven is één van de meest ernstige strafbare feiten en op grond daarvan komt slechts een vrijheidsstraf van zeer lange duur als passende bestraffing in aanmerking. Op voornoemde datum is verdachte naar de woning van het slachtoffer gegaan om - naar diens eigen zeggen - kleding op te halen. Toen hij echter voor de deur stond en het slachtoffer en haar zoontje, de 5-jarige [zoontje], zag staan, werd hem (door zowel het slachtoffer als de 5-jarige [zoontje]) te verstaan gegeven, dat hij weg moest gaan en dat - indien hij bleef - de politie zou worden gebeld. De verdachte heeft hierop een steen van de grond gepakt, deze door een raam van de woning gegooid en is door de ontstane opening de woning binnengegaan. Het slachtoffer en haar zoontje vluchtten naar buiten en verdachte is hen achterna gerend/gelopen. In een steeg achter de woning heeft hij het slachtoffer weer gezien en heeft hij haar iets horen roepen in de trant van: "Help, bel de politie". Verdachte heeft vervolgens - in het bijzijn van [zoontje] - een mes uit zijn binnenzak gehaald en heeft met dat mes meermalen op het slachtoffer ingestoken. Blijkens het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk zijn als gevolg van die steekverwondingen letsels aan de inwendige organen en grote bloedvaten ontstaan, welke de dood tot gevolg hebben gehad. Het hof tilt zeer zwaar aan het door verdachte begane feit, waarbij het hof in aanmerking neemt dat het 5-jarige zoontje met eigen ogen en van zeer nabij heeft moeten zien dat zijn moeder werd doodgestoken. Door het handelen van verdachte zal hij moeten opgroeien zonder zijn moeder en moeten leven met deze traumatische ervaring en de invloed die deze op zijn verdere ontwikkeling zal hebben. Naast hetgeen hiervoor is overwogen heeft het hof bij de straftoemeting voorts in aanmerking genomen, dat het slachtoffer door haar voormalige vriend en in haar eigen leefomgeving is doodgestoken. Het algemene en maatschappelijke gevoelen dat men in de eigen woning "veilig" is, is ten aanzien van het slachtoffer op de meest grove manier geschonden; te moeten waarnemen dat je voormalige vriend - met wie je hebt samengewoond - het raam van je woning ingooit, je woning binnendringt, je achtervolgt en je achter je woning neer-steekt, is verschrikkelijk. Voorts is de rechtsorde door de gebeurtenissen op 26 juli 2001 ernstig geschokt. Omtrent de (persoon van de) verdachte is onder andere gerapporteerd door L. Vanvuchelen, psychiater, en J.P. Pauw, klinisch psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundigen. Deze deskundigen komen in hun rapporten tot de conclusie dat bij verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat - dientengevolge - het feit, mits bewezen, verdachte volledig kan worden toegerekend. Ter 's hofs terechtzitting van 15 januari 2003 hebben de deskundigen verklaard nog steeds achter deze conclusie te staan. Gelet op de stukken van het dossier - en gezien artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht - neemt het hof deze conclusie van de voornoemde deskundigen over en maakt het die tot de zijne. Voor zover de raadsman van verdachte heeft aangevoerd, dat het feit zijn cliënt slechts in (enigszins) verminderde mate moet worden toegerekend, mist het derhalve feitelijke grondslag. In haar rapport omschrijft de psychiater Vanvuchelen verdachte als iemand met een persoonlijkheidsontwikkeling welke gekenmerkt wordt door zowel narcistische als antisociale "persoonlijkheidstrekken". Ter 's hofs terechtzitting heeft de deskundige Vanvuchelen in dit verband opgemerkt, dat - zakelijk weergegeven - ieder mens bepaalde "persoonlijkheidstrekken" heeft en dat het van iemands ontwikkeling afhangt, of dergelijke trekken de vorm zullen gaan aannemen van een "persoonlijkheidsstoornis". Gelet op (onder meer) de jeugdige leeftijd van de verdachte, is de deskundige Vanvuchelen van oordeel dat bij verdachte (nog) geen sprake is van een "persoonlijkheidsstoornis" en dat - dientengevolge - de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Echter de omschreven "persoonlijkheidstrekken" kunnen, aldus de deskundige Vanvuchelen, zeer wel invloed hebben gehad op de gebeurtenissen op 26 juli 2001; als gevolg van de narcistische en de antisociale persoonlijkheidstrekken van de verdachte - bezien tegen de achtergrond van zijn etnische (te weten Albanese) afkomst, en zijn jeugdige leeftijd - was verdachte (zeer) kwetsbaar en extra gevoelig voor krenkingen. De deskundige Vanvuchelen heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven dat de ongelijkwaardige situatie die in de relatie van het slachtoffer en de verdachte bestond - het slachtoffer was een stuk ouder dan verdachte en beschikte over een veel stabielere maatschappelijke status - verdachte in die relatie in een kwetsbare positie heeft gebracht. Zij acht het aannemelijk dat, toen verdachte vóór de woning van het slachtoffer stond en zij hem te verstaan gaf weg te gaan, de verdachte - gelet op het vorenstaande - zo ernstig werd gekrenkt, dat er een impulsdoorbraak is opgetreden (met alle gevolgen van dien). Gelet op de stukken van het dossier en ook gezien de indruk die het hof zelf van verdachte heeft gekregen, acht het hof hetgeen de deskundige Vanvuchelen naar voren heeft gebracht aannemelijk en is het van oordeel dat deze omstandigheid in de straftoemeting dient te worden meegewogen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen doch ook gelet op de straf die het hof in zaken vergelijkbaar met de onderhavige pleegt op te leggen, is het hof tot het oordeel gekomen, dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van na te noemen duur. Het hof overweegt hiertoe nog in het bijzonder dat - naar zijn oordeel - in de door de rechtbank opgelegde, en door de advocaat-generaal gevorderde, gevangenisstraf niet voldoende rekening is gehouden met de persoon van verdachte. Inbeslaggenomen goederen. Ter 's hofs terechtzitting van 15 januari 2003 heeft de advocaat-generaal een lijst van inbeslaggenomen - en nog niet niet terug-gegeven - voorwerpen ex. artikel 309 van het Wetboek van Strafvordering overgelegd. Het hof zal het inbeslaggenomen mes verbeurdverklaren. Immers met behulp van dat voorwerp is het hiervoor bewezenverklaarde feit begaan, terwijl uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken dat het toebehoort aan de verdachte. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen - te weten een portemonnee met inhoud en kleding van de verdachte - zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten. Immers deze voorwerpen behoren aan de verdachte toe en het belang van de strafvordering verzet zich niet (langer) tegen teruggave. Toepassing van wetsartikelen. Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 287 van het Wetboek Strafrecht. De uitspraak. HET HOF, RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende: verklaart het verdachte als voormeld primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het verdachte als voormeld subsidiair tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar; veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren; beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht; verklaart verbeurd het navolgende inbeslaggenomen voorwerp: - mes; gelast de teruggave aan verdachte van de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen: - portemonnee met inhoud; - kleding verdachte; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Weenink, voorzitter, Van den Bergh en Huisman, in tegenwoordigheid van mr. Jongeling als griffier.