Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF3517

Datum uitspraak2003-01-29
Datum gepubliceerd2003-01-29
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200202034/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 14 Woningwet biedt voor bestaande woningen eveneens een aanschrijvingsgrond voor noodzakelijke voorzieningen die volgens het Bouwbesluit voor te bouwen woningen zijn vereist. Voorzieningenaanschrijving onder aanzegging van bestuursdwang. Ingevolge art. 14 Woningwet was het dagelijks bestuur bevoegd de Vereniging van Eigenaren van de betrokken panden aan te schrijven inzake inbraakwerend hang- en sluitwerk.Gelet op de tekst en de toelichting op art. 14 Woningwet biedt art. 14 Woningwet voor bestaande woningen eveneens een aanschrijvingsgrond voor voorzieningen die volgens het Bouwbesluit weliswaar niet voor deze woningen, maar slechts voor te bouwen woningen zijn vereist, mits het treffen van die voorzieningen noodzakelijk is. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam, appellant. mrs. H. Troostwijk, H.G. Lubberdink, D.A.C. Slump


Uitspraak

200202034/1. Datum uitspraak: 29 januari 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 5 maart 2002 in het geding tussen: de vereniging "Vereniging van Eigenaren Eerste Keucheniusstraat 16-18", gevestigd te Amsterdam en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 januari 1999 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) de vereniging "Vereniging van Eigenaren Eerste Keucheniusstraat 16-18" (hierna: de VvE) onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven tot het treffen van verschillende voorzieningen aan de panden op de percelen Eerste Keucheniusstraat 16 en 18 te Amsterdam (hierna: de Eerste Keucheniusstraat 16 en 18). Bij besluit van 20 juli 1999, kenmerk 1999/1048, heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor beroep- en bezwaarschriften Westerpark, ongedateerd, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht. Bij uitspraak van 14 oktober 1999, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de VvE ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur binnen zes weken na verzenddatum van de uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Bij besluit van 8 februari 2000, kenmerk 1999/5197, heeft het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar gegrond verklaard wat betreft de wijze van adressering en voor het overige alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 maart 2002, verzonden op 8 maart 2002, heeft de rechtbank het daartegen door de VvE ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 8 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 19 juni 2002 heeft de VvE een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2002, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de VvE, vertegenwoordigd door [gemachtigde]. 2. Overwegingen 2.1. De Afdeling stelt voorop dat de aangevallen uitspraak slechts ziet op de aanschrijving gericht aan de VvE. Het dagelijks bestuur gaat er derhalve terecht vanuit dat de aanschrijving gericht aan de eigenaar van de Eerste Keucheniusstraat 18-II thans niet in geding is. 2.2. Het dagelijks bestuur bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het niet bevoegd was de VvE aan te schrijven inzake het inbraakwerend hang- en sluitwerk. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet schrijven burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit andere hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen, indien een woning, woonkeet of woonwagen wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, van de Woningwet bedoelde voorschriften of uit andere hoofde noodzakelijke voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in genoemd artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft. De Afdeling stelt vast dat artikel 14 van de Woningwet, gelet op de tekst daarvan en de toelichting daarop (TK 1989-1990, 20 066, nr.24, toelichting artikel III), voor bestaande woningen eveneens een aanschrijvingsgrond biedt voor voorzieningen die volgens het Bouwbesluit weliswaar niet voor deze woningen, maar slechts voor te bouwen woningen zijn vereist, mits het treffen van die voorzieningen noodzakelijk is. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbraakwerend hang- en sluitwerk – dat ingevolge artikel 20a van het Bouwbesluit is voorgeschreven voor te bouwen woningen - in dit geval noodzakelijk is ten behoeve van de sociale veiligheid en ter voorkoming van inbraak en diefstal, omdat de desbetreffende woningen zeer inbraakgevoelig zijn. In dit verband wijst het dagelijks bestuur op het beleid zoals neergelegd in de notitie “Complexmatige aanpak en aanschrijven, Fannius Scholtenbuurt”, dat tot doel heeft het kwaliteitsniveau van de Fannius Scholtenbuurt, waarin ook de Eerste Keucheniusstraat 16 en 18 zijn gelegen, projectmatig te verbeteren. Gelet hierop is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het treffen van de inbraakwerende voorzieningen noodzakelijk was. Derhalve was het dagelijks bestuur ingevolge artikel 14 van de Woningwet bevoegd de VvE daartoe aan te schrijven. 2.3. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanschrijving tot het treffen van isolatiemaatregelen zodanig onzorgvuldig is voorbereid dat deze in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts meent het dat de rechtbank heeft miskend dat het reeds bij besluit van 12 januari 1999, overeenkomstig artikel 23 van de Woningwet, heeft beoordeeld of het nadeel van de verhoogde lasten die het treffen van de voorzieningen met zich brengen, voor de eigenaar niet onevenredig is aan het belang van een verbetering van de woningvoorraad, waardoor de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beslissing op bezwaar in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. In artikel 15, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat indien een woning of woongebouw uit het oogpunt van woongerief niet aan de eisen des tijds voldoet, doch door het aanbrengen van verbeteringen alsnog geheel of ten dele aan die eisen kan worden aangepast, burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit andere hoofde tot het aanbrengen van die verbeteringen bevoegd is, kunnen aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen. In het tweede lid, aanhef en onder d, van dit artikel is bepaald dat één van de verbeteringen waartoe kan worden aangeschreven is het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies. Niet in geschil is dat het dagelijks bestuur ingevolge artikel 15 van de Woningwet bevoegd was de VvE aan te schrijven tot het treffen van de in de beslissing op bezwaar vermelde isolatiemaatregelen. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de VvE niet in haar belangen is geschaad doordat artikel 15 van de Woningwet eerst bij de beslissing op bezwaar is vermeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat de VvE blijkens onder meer haar bezwaarschrift, reeds het vermoeden had dat de aanschrijving was gebaseerd op dit artikel en daardoor derhalve niet werd verrast. Noch over de te treffen voorzieningen noch over de beweegredenen van het dagelijks bestuur om de VvE tot het treffen van die voorzieningen aan te schrijven, heeft voorts ooit onduidelijkheid bestaan. Dat de procedure mogelijk anders was gelopen bij een directe verwijzing naar dit artikel, omdat de VvE dan eerder overtuigd was geraakt van de bevoegdheid van het dagelijks bestuur, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beslissing op bezwaar, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, onzorgvuldig is voorbereid. De Afdeling stelt vast dat een zogeheten lonendheidsberekening van 15 december 1998 aan de bestreden beslissing op bezwaar ten grondslag ligt, waarmee het dagelijks bestuur heeft beoordeeld of de verhoogde lasten voor de VvE niet onevenredig zijn aan het belang dat met het treffen van de voorzieningen is gediend. De rechtbank heeft dit miskend. Mede gelet op de memorie van toelichting op artikel 15 en op artikel 23, eerste lid, van de Woningwet (TK 1995-1996, 24 820, nr.3 en TK 1986-1987, 20 066, nr.3, p.49-50) acht de Afdeling de berekening - in het bijzonder de daarbij als opbrengsten aangemerkte inkomsten en de als kosten aangemerkte uitgaven - niet onjuist. Gelet op deze berekening is de Afdeling van oordeel dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kosten van de voorzieningen in redelijke verhouding staan tot de te verwachten opbrengsten. 2.4. Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de overige beroepsgronden van de VvE zal de Afdeling daarop ingaan, teneinde te kunnen beoordelen of de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd dan wel met verbetering van gronden moet worden bevestigd. 2.5. De beroepsgronden – aangevoerd bij brief ter aanvulling van de gronden van het beroep - inzake de voorzieningen die dienen te worden getroffen aan de Eerste Keucheniusstraat 18-II kunnen niet slagen, reeds omdat deze voorzieningen een afzonderlijke aanschrijving betreffen gericht aan de eigenaar van die woning en derhalve geen onderdeel vormen van de thans in geding zijnde aanschrijving gericht aan de VvE. Ook de beroepsgronden inzake de toekenning van subsidie falen, omdat de bestreden beslissing op bezwaar daar niet op ziet. 2.5.1. Niet in geschil is dat de Eerste Keucheniusstraat 16 en 18 ten tijde van de aanschrijving niet reeds (volledig) waren voorzien van de voorgeschreven verbeteringen en dat deze verbeteringen ook daadwerkelijk konden worden getroffen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de panden intensiever had moeten inspecteren. Het betoog van de VvE inzake de inspecties, slaagt dan ook niet. 2.5.2. De Afdeling stelt vast dat met de voorgeschreven isolatiemaatregelen is beoogd te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit op dit aspect stelt aan nieuw te bouwen gebouwen en de voorzieningen derhalve in overeenstemming zijn met de eisen des tijds, zoals bedoeld in artikel 15 van de Woningwet. Nu het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kosten voor het treffen van de voorzieningen in redelijke verhouding staan tot de te verwachten opbrengsten, is de Afdeling van oordeel dat hij eveneens in redelijkheid tot het aanschrijven van deze voorzieningen heeft kunnen komen. Dat de panden Eerste Keucheniusstraat 16 en 18 meer dan 100 jaar geleden zijn gebouwd, zoals de VvE in dit verband aanvoert, doet daaraan niet af. 2.5.3. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen nu niet is gebleken dat het dagelijks bestuur in vergelijkbare gevallen anders heeft opgetreden. De panden in het centrum van Amsterdam waar de VvE in algemene zin, zonder concrete voorbeelden te noemen, naar verwijst, zijn niet vergelijkbaar met de Eerste Keucheniusstraat 16 en 18, reeds omdat zij niet in de Fannius Scholtenbuurt liggen waar het dagelijks bestuur een specifiek aanschrijvingsbeleid voert. 2.5.4. De Afdeling is voorts van oordeel dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het dagelijks bestuur had moeten bepalen dat in fasen aan de aanschrijving mag worden voldaan, als bedoeld in het vierde lid van artikel 15 van de Woningwet. De enkele omstandigheid dat de kozijnen van de Eerste Keucheniusstraat 16 en 18 in goede staat zouden verkeren, hetgeen de VvE beweert, leidt niet tot een ander oordeel. 2.5.5. De VvE betoogt dat zij niet samen met de eigenaar van de Eerste Keucheniusstraat 18-IV kon worden aangeschreven inzake het treffen van voorzieningen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18. Voor het treffen van de isolatiemaatregelen kon het dagelijks bestuur ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Woningwet, degene die als eigenaar of uit andere hoofde tot het aanbrengen van die verbeteringen bevoegd is, aanschrijven. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat niet de VvE én de eigenaar van de Eerste Keucheniusstraat 18-IV konden worden aangeschreven, nu ten hoogste één van hen bevoegd kan zijn de isolatiemaatregelen te treffen. Blijkens de stukken van het geding was het voor het dagelijks bestuur niet zeker wie bevoegd was de voorzieningen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18 te treffen. Nu het dagelijks bestuur dat niet heeft onderzocht en – in strijd met artikel 15 van de Woningwet - zowel de VvE als de voormelde eigenaar heeft aangeschreven, is de Afdeling van oordeel dat de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betoog slaagt derhalve. 2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep, uitgezonderd voorzover is aangeschreven isolatievoorzieningen te treffen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18, gegrond is. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van de VvE, uitgezonderd voorzover is aangeschreven isolatievoorzieningen te treffen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18, ongegrond verklaren. Voorzover het hoger beroep betrekking heeft op de aanschrijving inzake de te treffen isolatievoorzieningen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18, moet de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden worden bevestigd. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep, uitgezonderd voorzover is aangeschreven isolatievoorzieningen te treffen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18, gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 5 maart 2002, AWB 00/2337WW44, uitgezonderd voorzover is aangeschreven isolatievoorzieningen te treffen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, uitgezonderd voorzover is aangeschreven isolatievoorzieningen te treffen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18, ongegrond; IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 5 maart 2002, AWB 00/2337WW44, voorzover is aangeschreven isolatievoorzieningen te treffen aan het dak van de Eerste Keucheniusstraat 18. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Sluiter Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003 292.