Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF3618

Datum uitspraak2003-01-22
Datum gepubliceerd2003-01-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/00946
Statusgepubliceerd


Uitspraak

WAHV 02/00946 22 januari 2003 CJIB 19046507065 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 26 juli 2002 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 250,- (= € Euro 113,45) opgelegd ter zake van "voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan", welke gedraging zou zijn verricht op 30 oktober 2001 op de Pelgrimsstraat te Rotterdam. 3.2. De betrokkene voert het volgende aan. Bij de Pelgrimsstraat zijn ze bezig met wegwerkzaamheden. Halverwege de voetgangersoversteekplaats zijn rode en witte blokken geplaatst, waardoor deze in twee helften wordt gescheiden. Een vrouw stond tussen de rode en witte blokken te wachten, toen de betrokkene kwam aanrijden. Volgens de betrokkene was er tussen hem en de vrouw oogcontact en gebaarde de vrouw dat hij mocht voorgaan. Vervolgens is hij zonder stilgestaan te hebben doorgereden. 3.3. Art. 49, tweede lid, RVV1990 luidt: "Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan." 3.4. De nota van toelichting op het aan art. 49 RVV1990 voorafgaande art. 100 RVV1966 houdt onder meer in: "Bepaald wordt dat de bestuurders een voetgangersoversteekplaats voorzichtig naderen en aan voetgangers, die zich daarop bevinden, onbelemmerde doorgang verlenen. Dit laatste beduidt, dat de voetganger zonder onderbreking zijn weg moet kunnen vervolgen, indien hij zich eenmaal op de voetgangersoversteekplaats heeft begeven." 3.5. De nota van toelichting op het RVV1990 houdt in hoofdstuk X. "Belangrijke veranderingen" voor zover hier van belang in: "Het RVV 1990 bevat naast vele minder belangrijke wijzigingen, die per artikel worden belicht, enkele opmerkelijke nieuwe regelingen. Ze worden hier in het kort weergegeven. (….) 2. Het voor laten gaan van voetgangers die op het punt staan op een voetgangersoversteekplaats over te steken. Zowel volgens het oude als het nieuwe RVV moeten bestuurders aan voetgangers (…) op een voetgangersoversteekplaats ongehinderde doorgang verlenen. Nieuw is dat bestuurders dezelfde verplichting hebben tegenover voetgangers (…) die kennelijk op het punt staan over te steken.(….)" 3.6. De nota van toelichting op art. 49 RVV1990 houdt onder meer in: "De term "ongehinderde doorgang verlenen" in de oude regeling is vervangen door "voor laten gaan". Het ongehinderd doorgang verlenen dat veel lijkt op de betekenis van voorrang, wordt gereserveerd voor bestuurders die elkaar op een kruising naderen. Voor andere gevallen waarbij prioriteit van de één boven de ander moet worden vastgelegd wordt de term "voor laten gaan" gebezigd." 3.7. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een zaakoverzicht van het CJIB van 14 maart 2002, welk zaakoverzicht als toelichting van verbalisant Roode, brigadier van politie, inhoudt - zakelijk weergegeven -: "Gedragingsgegevens: als bestuurder een voetganger die op een voetgangersoversteekplaats oversteekt niet voor laten gaan". 3.8. Gelet op de voormelde - op ambtsbelofte gegeven - toelichting van de verbalisant Roode, op hetgeen de betrokkene zelf aanvoert, alsmede gelet op de wetsgeschiedenis, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan, dat de hiervoor onder 3.1. weergegeven gedraging is verricht. De betrokkene heeft de voetgangster immers geen ongehinderde doorgang verleend. 3.9. Hetgeen de betrokkene aanvoert omtrent het gebaar van de voetgangster op grond waarvan hij meende dat zij hem voor liet gaan maakt een en ander niet anders. Immers, met het oog op de veiligheid van het verkeer mag een bestuurder niet eerder een dergelijke interpretatie geven aan een gebaar van de voetganger, dan wanneer hij zelf eerst aan de verplichting heeft voldaan de voetganger de gelegenheid te geven ongehinderd over te steken. Het hof is derhalve van oordeel, dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht niet van zodanige aard zijn dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat deze tot matiging van de opgelegde administratieve sanctie zouden moeten leiden. 3.10. Uit het voorgaande vloeit voort, dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden bevestigd. 4. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.