
Jurisprudentie
AF3741
Datum uitspraak2002-11-21
Datum gepubliceerd2003-01-31
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/81665 BEPTDN H
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-01-31
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/81665 BEPTDN H
Statusgepubliceerd
Indicatie
Toegangsweigering / voorlopige voorziening.
Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen wegens het ontbreken van belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Op grond van artikel 82, eerste lid, Vw 2000 wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning van rechtswege opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Gesteld noch gebleken is dat de uitzonderingen genoemd in artikel 82, tweede tot en met het vierde lid, Vw 2000 van toepassing zijn. Niet in geschil is dat verzoeker de toegang tot Nederland is geweigerd ex artikel 3 Vw 2000. Op grond van artikel 5, eerste lid, Vw 2000 heeft de vreemdeling derhalve in beginsel de verplichting Nederland onmiddellijk te verlaten. Op grond van artikel 5, derde lid, Vw 2000 geldt deze verplichting echter niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 of artikel 33 Vw 2000 indient. In het onderhavige geval heeft verzoeker een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 ingediend. Op grond van artikel 3.1 Vb 2000 heeft het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bovendien tot gevolg dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven. De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van verweerder dat na de beslissing op de aanvraag geen sprake meer kan zijn van een schorsende werking van het besluit en artikel 82, eerste lid, Vw 2000 niet van toepassing zou zijn. De voorzieningrechter is van oordeel dat voor de vreemdeling geen belang bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de behandeling van het beroepschrift, nu op grond van artikel 82 Vw 2000 de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning van rechtswege wordt opgeschort tot op het beroep is beslist. Afwijzing verzoek.
Uitspraak
Rechtbank ’s-Gravenhage
Nevenvestigingsplaats Haarlem
Voorzieningenrechter
PROCES-VERBAAL VAN
M O N D E L I N G E U I T S P R A A K
artikel 8:67 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
artikel 71 Vreemdelingenwet 2000(Vw)
reg.nr: AWB 02 / 81665 BEPTDN H
inzake: A, geboren op [...] 1978, van Turkse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: verzoeker,
tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
Tegenwoordig: mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en mr. J. van der Kluit, griffier.
Zitting: 21 november 2002.
Verzoeker is vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat te Amsterdam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. J.W. de Graaf, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening van 28 oktober 2002 hangende de behandeling van het beroepschrift van verzoeker van 28 oktober 2002 tegen het besluit van 25 oktober 2002 tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep de werking van het besluit niet opschort, nu verzoeker op grond van artikel 3 Vw de toegang is geweigerd en hij derhalve op grond van artikel 5, eerste lid, Vw de verplichting heeft Nederland onmiddellijk te verlaten. Verzocht wordt om opschorting van de werking van het besluit tot op het beroep is beslist.
Bij mondelinge uitspraak van 21 november 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Aan deze uitspraak liggen de navolgende overwegingen ten grondslag.
Op grond van artikel 82, eerste lid, Vw wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Op grond van artikel 82, tweede lid, Vw is het eerste lid niet van toepassing indien het besluit inhoudt:
a. de afwijzing van de aanvraag binnen bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren;
b. de afwijzing van de herhaalde aanvraag;
c. een besluit als bedoeld in artikel 43 Vw.
Op grond van artikel 82, derde en vierde lid, Vw is het eerste lid evenmin van toepassing indien het beroepschrift niet tijdig is ingediend en indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw.
Nu niet binnen de termijn van 48 procesuren van de ac-procedure is beslist op de aanvraag van verzoeker, stelt de voorzieningenrechter vast dat de uitzondering van artikel 82, tweede lid en onder a, Vw op de algemene regel van schorsende werking van het beroep ex artikel 82, eerste lid, Vw niet van toepassing is. Evenmin is gesteld noch gebleken dat de overige uitzonderingen genoemd in artikel 82, tweede tot en met het vierde lid, Vw in het onderhavige geval van toepassing zijn.
Ten aanzien van het standpunt van verweerder heeft de voorzieningenrechter overwogen als volgt. Niet in geschil is dat verzoeker de toegang tot Nederland is geweigerd ex artikel 3 Vw. Op grond van artikel 5, eerste lid, Vw heeft de vreemdeling derhalve in beginsel de verplichting Nederland onmiddellijk te verlaten. Op grond van artikel 5, derde lid, Vw geldt deze verplichting echter niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 of 33 Vw indient. In het onderhavige geval heeft verzoeker een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw ingediend. Op grond van artikel 3.1 Vb heeft het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bovendien tot gevolg dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven. De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van verweerder dat na de beslissing op de aanvraag geen sprake meer kan zijn van een schorsende werking van het besluit en artikel 82, eerste lid, Vw niet van toepassing zou zijn.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voor verzoeker geen belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening hangende de behandeling van het beroepschrift, nu op grond van artikel 82 Vw de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning van rechtswege wordt opgeschort totdat op het beroep is beslist.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
Afschrift verzonden op: 22 november 2002
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

