Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF4752

Datum uitspraak2003-02-19
Datum gepubliceerd2003-02-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200204570/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200204570/1. Datum uitspraak: 19 februari 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 12 juli 2002 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland. 1. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast een op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geplaatste stacaravan te verwijderen. Bij besluit van 31 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de last in zoverre gewijzigd en voor het overige ongegrond. Bij uitspraak van 12 juli 2002, verzonden op op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 17 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2003, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M.J. van den Berge, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het college heeft vastgesteld dat in de op het perceel geplaatste stacaravan werd overnacht en deze niet werd gebruikt voor activiteiten, in verband waarmee toestemming was gevraagd en verkregen. Op grond hiervan heeft het college de stacaravan aangemerkt als kampeermiddel in de zin van de Wet op de openluchtrecreatie en de aanwezigheid ervan strijdig geacht met het vigerend bestemmingsplan en met de Verordening op de openluchtrecreatie. 2.2. Appellant klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de stacaravan een schaftkeet is en ten onrechte door het college als kampeermiddel is aangemerkt. Deze klacht faalt. Uit de desbetreffende rapportages blijkt dat meerdere malen is vastgesteld dat de caravan voor nachtverblijf werd gebruikt. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden om aan te nemen dat deze verklaringen, zoals appellant stelt, vals zijn. Door op grond daarvan aan te nemen dat de caravan werd of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet op de openluchtrecreatie, heeft het college aan die bepaling voorts geen onjuiste toepassing gegeven. 2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Matulewicz Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003 383.