Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF4890

Datum uitspraak2003-02-17
Datum gepubliceerd2003-02-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers82523 / KG ZA 03-51
Statusgepubliceerd


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE Eve/deB Zaaknummer : 82523 / KG ZA 03-51 uitspraak : 17 februari 2002 DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING V O N N I S in de zaak, aanhangig tussen: CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA), rechtspersoon volgens artikel 2 van de Wet centraal orgaan opvang asielzoekers, gevestigd te Rijswijk, eiser, procureur mr. J.A. van Wijmen, advocaat mr. K.P.D. Vermeulen te 's-Gravenhage, en 1 [X], en 2 [Y], beiden wonende, althans verblijvende in het COW Deventer te Deventer, gedaagden, bijgestaan door G. Meertens, gemachtigde. PROCESGANG Eiser heeft gedaagden doen dagvaarden in kort geding. De vordering strekt ertoe gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen de COW-woning te Deventer aan de Johan Wagenaarlaan 73, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het hunne en de hunnen, met machtiging op eiser om dit vonnis, na betekening, ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien gedaagden aan deze veroordeling niet voldoen, en gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding. Hiertegen is ter zitting op 4 februari 2003 door gedaagden verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vordering. Partijen hebben hun standpunten verder over en weer toegelicht, waarna vonnis is bepaald op heden. MOTIVERING 1 Vaststaande feiten 1.1 Gedaagden zijn asielzoekers en hebben gesteld afkomstig te zijn uit Armenië. Op 26 januari 1995 hebben zij aanvragen om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ingediend. Die aanvragen zijn definitief afgewezen. Gedaagden hebben drie minderjarige kinderen. De jongste is geboren in Nederland. 1.2 Eiser draagt op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna Rva) zorg voor de centrale opvang van asielzoekers. In dit kader verblijven gedaagden in de COW-woning aan de Johan Wagenaarlaan 73 te Deventer. 1.3 Op grond van artikel III van de Rva, ingevoerd bij besluit van 27 maart 2001 tot wijziging van de Rva, eindigt de opvang van een asielzoeker op wiens aanvraag vóór 10 februari 2000 in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist, indien een last tot uitzetting is gegeven en door de korpschef is aangezegd dat hij Nederland moet verlaten, op de dag dat hij Nederland ingevolge die mededeling dient te verlaten. Ondanks deze bepaling wordt de opvang gecontinueerd overeenkomstig het zogenaamde Stappenplan, laatstelijk gewijzigd in 1999, zolang de vreemdeling uitdrukkelijk meewerkt aan de terugkeer naar het land van herkomst. Wanneer deze medewerking wordt geweigerd kunnen onmiddellijk maatregelen genomen worden. 1.4 Blijkens processen-verbaal van een medewerker van de politie IJsselland van 20 december 2001 hebben gedaagden verklaard dat zij niet naar hun land van herkomst willen terugkeren. Uit de "rapportage rechtmatig verwijderbare vreemdeling" van de IND van 13 februari 2002 hebben gedaagden onder meer te kennen gegeven dat zij geen gebruik willen maken van het IOM en dat zij geen medewerking willen verlenen aan verwijdering uit Nederland. Het IND is uiteindelijk tot de vaststelling gekomen dat gedaagden niet (voldoende) meewerken aan het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten voor terugkeer naar Armenië en heeft eiser verzocht om de verstrekkingen te beëindigen, hetgeen eiser heeft gedaan bij beschikking van 5 november 2002. Eiser heeft gedaagden tevens verzocht om de door hen gebruikte COW-woning te Deventer uiterlijk binnen drie dagen na uitreiking van die beschikking te verlaten. Gedaagden hebben aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Evenmin hebben gedaagden gehoor gegeven aan de sommatie tot ontruiming door de gemachtigde van eiser van 30 december 2002. 1.5 Tegen de beschikking van eiser van 5 november 2002 hebben gedaagden beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. 2 Het geschil en de beoordeling daarvan 2.1 Eiser heeft de ontruiming van gedaagden gevorderd uit de COW-woning te Deventer, daartoe stellende dat op grond van de toepasselijke Rva 1997 gedaagden zich daarin zonder recht of titel - en daarmee onrechtmatig jegens eiser - bevinden, nu de opvang bij beschikking van eiser van 5 november 2002 is beëindigd en zij derhalve per 25 november 2002 zonder recht of titel in de COW-woning verblijven. Eiser heeft die beschikking kunnen nemen omdat gedaagden op 20 december 2001 zijn aangezegd om Nederland te verlaten en omdat zij niet aan hun verplichting hebben voldaan om alles te doen wat redelijkerwijs van hen kan worden verwacht om (vervangende) reisdocumenten naar het land van herkomst te verkrijgen, welke verplichting op hen rustte vanwege de definitief afgewezen asielaanvragen. Het door gedaagden ingestelde beroep tegen de beschikking van 5 november 2002 heeft geen schorsende werking, zodat het beëindigingsbesluit van eiser directe werking heeft. Verder heeft eiser gesteld dat de medische toestand van gedaagde sub 2 niet een zodanig acute medische noodsituatie oplevert dat de opvangvoorzieningen (tijdelijk) moeten worden gecontinueerd, nu de klachten reeds in augustus 2000 bestonden. Tenslotte heeft eiser gesteld een spoedeisend belang te hebben omdat, kort weergegeven, hij de opvang nodig heeft voor het verzorgen van opvang van asielzoekers die wél recht hebben op opvang. Dat de instroom aan asielzoekers is verminderd doet aan de behoefte aan (aanvullende) opvangcapaciteit niet af, omdat ook het aantal opvangplaatsen in sterke mate is teruggelopen en nieuwe opvangplaatsen niet direct operationeel zijn. Daarnaast vermindert eiser zijn flexibele opvangcapaciteit met vele duizenden plaatsen omdat hij verplicht is de overheidsgelden op een zorgvuldige wijze te besteden. Ook vanuit financieel oogpunt is langer verblijf in de opvang onaanvaardbaar, omdat tot het moment waarop de ontruiming heeft plaatsgevonden de kosten van de opvang doorlopen. Het feit dat gedaagden al geruime tijd in de opvang zitten doet aan de spoedeisendheid niet af. Gelet op de spoedeisendheid kan van eiser niet worden verwacht dat hij een bodemprocedure tegen gedaagden begint. 2.2 Gedaagden hebben zich tegen de vordering verweerd. Zij hebben de spoedeisendheid van de vordering bestreden. Het aantal vreemdelingen dat hier te lande asiel aanvraagt is in sterke mate teruggelopen en het aantal asielzoekers dat een beroep doet op de mogelijkheden tot opvang is eveneens in aanmerkelijke mate afgenomen, zodat de nood onder de opvangfaciliteiten niet meer aanwezig is. Eiser heeft beoordelingsvrijheid bij het beëindigen van de opvang en hij dient niet alleen marginaal te toetsen aan het standpunt van de Minister. Gedaagden zijn immers van mening dat er in hun situatie sprake is van schrijnende humanitaire omstandigheden, nu gebleken is dat gedaagde sub 2 directe medische hulp nodig heeft, op grond waarvan de opvang dient te worden hervat. Gedaagden staan op dit moment beiden onder medische behandeling en hebben deze nodig. Voorts zijn gedaagden van mening dat zij voldoende hebben meegewerkt aan het verkrijgen van een (vervangend) reis- of identiteitsbewijs. Tenslotte wijzen gedaagden op het feit dat zij nu een reguliere procedure hebben lopen. Vanwege deze procedure zijn gedaagden van mening dat zij rechtmatig in Nederland verblijven en dat zij niet terug hoeven te keren naar hun land van herkomst. 2.3 Het spoedeisend belang van eiser bij de gevorderde ontruiming is in voldoende mate gebleken. Het daartegen gevoerde verweer van gedaagden maakt dat niet anders. Eiser heeft een voldoende gemotiveerd spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, nu hij dringend dient zorg te dragen voor de opvang van andere asielzoekers en opvangcapaciteit terugloopt. 2.4 Bij de beoordeling van de vordering staat voorop dat de asielaanvragen van gedaagden definitief zijn afgewezen, zodat zij geen recht meer hebben op verblijf in Nederland. Dit brengt mee dat in dit geding geen plaats meer is voor een beoordeling van het asielrelaas van gedaagden. Het feit dat gedaagden thans een reguliere procedure hebben lopen geeft geen recht op opvang. 2.5 Voorts is van belang dat op grond van gemeld artikel III van Het Besluit tot wijziging van de Rva, opvang in elk geval eindigt, indien het een asielzoeker betreft voor wie een last tot uitzetting is gegeven en aan wie ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de korpschef van de politieregio waarin de vreemdeling zijn woon - of verblijfplaats heeft, is aangezegd Nederland te verlaten. De opvang eindigt op de dag waarop hij Nederland ingevolge die mededeling moet verlaten. In dit kader is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat voldoende is gebleken dat gedaagden op 20 december 2001 zijn aangezegd om Nederland voor 18 januari 2002 te verlaten. 2.6 Eiser is bevoegd de voorzieningen te beëindigen, indien de vreemdeling medewerking aan terugkeer weigert. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser de opvang bij besluit van 5 november 2002 heeft kunnen beëindigen, gezien de houding en verklaringen van gedaagden dat zij Nederland niet wensen te verlaten. Gedaagden verblijven dan ook zonder recht of titel in de COW-woning te Deventer. 2.7 Niettemin kan een ontruimingstitel geweigerd worden, indien ontruiming, alle wederzijdse belangen in aanmerking nemende, onredelijk zou zijn. Van zeer schrijnende omstandigheden van humanitaire aard aan de zijde van gedaagden, voor zover al niet reeds meegewogen in de beslissing op de asielaanvraag, is echter niet gebleken. Met name is niet gebleken dat directe medische noodhulp geboden is. Weliswaar hebben gedaagden hun stellingen met betrekking tot hun gezondheid onderbouwd met medische informatie maar uit deze informatie blijkt niet dat hun gezondheidstoestand thans dusdanig is dat ontruiming op korte termijn te schrijnend en inhumaan is. Verder voorziet de Koppelingswet in medische opvang en hulp in Nederland in geval van medische noodsituaties, zodat zij in beginsel niet van noodzakelijke medicatie verstoken hoeven te blijven. 2.8 Echter, alle betrokken belangen in aanmerking nemende, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Wat er verder zij van het gegeven dat eerder is uitgemaakt dat gedaagden onvoldoende hebben meegewerkt om Nederland te verlaten, vaststaat dat zij thans niet over reisdocumenten beschikken die hun toegang geven tot Armenië en dat zij dientengevolge op dit moment niet naar Armenië kunnen terugkeren. Bij toewijzing van de eis als gevorderd zal aldus feitelijk de situatie ontstaan dat het gezin met drie minderjarige kinderen zonder opvang te Nederland verblijft. Dit nu is onwenselijk. Daarbij weegt het belang van gedaagden - in het bijzonder ook van hun minderjarige kinderen - zwaarder dan dat van eiser. Bij deze belangenafweging vormen immers de belangen van het kind de eerste overweging, zoals dit volgt uit het voor Nederland op 7 maart 1995 in werking getreden Verdrag inzake de rechten van het kind (Verdrag van 20 november 1989, Trb. 1190, 170 (Rectificatie Trb. 1997, 83) (IVRK). Staten die partij zijn bij het IVRK erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind (artikel 27 van het IVRK). De ouders hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind. Derhalve hebben gedaagden als ouders een eigen verzorgingsverplichting jegens hun minderjarige kinderen. Onderdeel daarvan is de verplichting tot het bieden van onderdak. Alleen indien zij over woonruimte beschikken zijn gedaagden in staat om invulling te geven aan hun ouderlijke verantwoordelijkheid, en kunnen zij de bescherming en zorg bieden die nodig zijn voor het welzijn van de kinderen. Op grond van artikel 27 lid 3 van het IVRK neemt de Staat passende maatregelen om ouders te helpen bij het verwezenlijken van het hiervoor gemelde recht van ieder kind. Nu eiser een overheidslichaam is dient ook hij conform de bepalingen van het IVRK te handelen en dienen de belangen van de kinderen ook voor hem de eerste overweging te vormen. Voldoende aannemelijk is dat de belangen van de kinderen danig in het gedrang komen, indien, in afwachting van het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten naar Armenië, gedaagden uit de COW-woning, zonder aanbod tot vervangende woonruimte, worden ontruimd. Immers, in dat geval is (vast) onderdak niet langer gewaarborgd. Ook hebben gedaagden, zoals door beide partijen ter zitting aangegeven, geen mogelijkheid tot het verkrijgen van onderdak bij familie, vrienden of anderszins. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ligt dan een situatie in het verschiet van onaanvaardbare ontwrichting van het gezin waarin (derhalve) de kinderen geen minimale zorg en voorzieningen meer kunnen worden geboden. Het ligt dan op de weg van eiser, als overheidslichaam, de ouders te helpen bij het verstrekken van zorg en voorzieningen. Onder deze omstandigheden en gezien het vorenoverwogene dient gedurende een bepaalde periode het belang van gedaagden bij voortzetting van de opvang te prevaleren boven dat van eiser bij ontruiming. De ontruiming door gedaagden zal derhalve binnen 5 maanden na betekening moeten hebben plaatsgevonden. Gedurende deze periode hebben gedaagden de gelegenheid reisdocumenten te verkrijgen. 2.9 Het bovenstaande laat uitdrukkelijk onverlet de plicht van gedaagden, in hun hoedanigheid van asielzoekers maar met name als ouders van drie minderjarige kinderen, om zich tot het uiterste in te spannen voor het verkrijgen van reisdocumenten naar Armenië zodat zij ook na het verstrijken van de periode van 5 maanden zelfstandig kunnen voldoen aan hun verzorgingsverplichting jegens hun minderjarige kinderen in hun land van herkomst. 2.10 Aangezien partijen over en weer deels in het gelijk dan wel ongelijk zijn gesteld, bestaat er aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen belast blijven met de aan de respectieve zijden gevallen proceskosten. 2.11 Vanwege de omstandigheid dat gedaagden uitsluitend recht hebben op de uit hoofde van de RVA verstrekte toelagen, kunnen zij worden beschouwd als rechtzoekenden in het kader van de Wet op de rechtsbijstand. Als zodanig zouden zij in aanmerking zijn gekomen voor een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand en, in deze procedure, voor een in debet gesteld vast recht. Het ligt dan ook niet in de rede dat hen door de griffier vastrecht in rekening wordt gebracht. BESLISSING De voorzieningenrechter: I veroordeelt gedaagden om binnen 5 maanden na betekening van dit vonnis de door hen gebruikte COW-woning aan de Johan Wagenaarlaan 73 te Deventer te ontruimen en ontruimd te houden met al het hunne en de hunnen, met machtiging aan eiser om, indien gedaagden niet overeenkomstig het vonnis tot ontruiming zullen overgaan, die ontruiming zelf en indien nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te (laten) uitvoeren; II compenseert de kosten van het geding aldus dat elke partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen proceskosten; III verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; IV wijst af het meer of anders gevorderde; V verstaat dat gedaagden geen vast recht in rekening wordt gebracht. Aldus gewezen door mr. W.N. Everts, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.