Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF5430

Datum uitspraak2003-04-01
Datum gepubliceerd2003-07-31
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03462/00 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

1 april 2003 Strafkamer nr. 03462/00 H IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 1 oktober 1999, nummer 13/061762-99, ingediend door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd ...


Conclusie anoniem

Nr. 03462/00/H Mr Machielse Zitting 17 december 2002 Conclusie inzake: [aanvrager] Aanvrager is op 1 oktober 1999 bij verstek door de politierechter te Amsterdam voor diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. Mr S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, heeft een aanvraag tot herziening ingediend welke aanvraag is gebaseerd op de stelling dat een ander zich voor aanvrager zou hebben uitgegeven. Bij de aanvraag is gevoegd een aangifte van aanvrager van valsheid in geschrift door een zekere [A], die zich voor aanvrager zou hebben uitgegeven. Naar aanleiding van de aanvraag heb ik stappen gezet om een nader onderzoek te doen verrichten, meer bepaald om na te kunnen gaan of degene die op 2 augustus 1999 te Amsterdam is aangehouden een ander was dan aanvrager. Via het College van PG's is mij bericht dat het parket te Amsterdam vele pogingen in het werk heeft gesteld om aanvrager te bewegen contact op te nemen, welke pogingen alle vruchteloos bleven. Gelet op de aard van de pogingen die in het werk zijn gesteld ben ik van mening dat aanvrager zich niet coöperatief genoeg heeft opgesteld om zijn stelling te laten toetsen. Dat voert mij tot de conclusie dat de aanvraag ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

1 april 2003 Strafkamer nr. 03462/00 H IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 1 oktober 1999, nummer 13/061762-99, ingediend door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Politierechter heeft - voorzover voor de beoordeling van de aanvraag van belang - de aanvrager ter zake van "diefstal" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. 2. De aanvraag tot herziening De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. De conclusie van de Advocaat-Generaal De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen. 4. Beoordeling van de aanvraag 4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 4.2. De aanvraag berust op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als evenvermeld. Daartoe wordt aangevoerd dat niet de aanvrager, maar een ander het bewezenverklaarde feit heeft begaan en dat deze bij zijn aanhouding tegenover de politie de personalia van de aanvrager heeft opgegeven. Ter staving van deze stelling is onder meer overgelegd een door de politie opgemaakt proces-verbaal nr. PL0763/00-217946. Dit proces-verbaal bevat een aangifte van de aanvrager ter zake van het valselijk gebruik van zijn persoonsgegevens en handtekening door een zekere [A]. 4.3. Naar aanleiding van de aanvraag is op verzoek van de Advocaat-Generaal Machielse een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een schrijven van 13 september 2002 van K. Gerritsen, Officier van Justitie bij het Arrondissementsparket te Amsterdam, inhoudende onder meer: "In juni 2002 heb ik dhr. P. Heeren, politieparketsecretaris van district Amsterdam Noord, verzocht onderzoek te doen naar de vermeende persoonsverwisseling. Hij heeft daartoe telefonisch contact gehad met de raadsman van [aanvrager], mr. Jaasma, met het verzoek zijn cliënt op het politiebureau te laten komen ter daadwerkelijke vergelijking van de veroordeelde [aanvrager] en de (foto en vingerafdrukken van de) destijds aangehouden persoon. Vanaf die tijd (eind juni 2002) heeft dhr. Heeren herhaaldelijk - al dan niet met succes - bij mr. Jaasma geïnformeerd naar de stand van zaken, in ieder geval eind juli, begin augustus en half augustus 2002. Het lukte mr. Jaasma kennelijk niet om contact met zijn cliënt te krijgen. Op 22 augustus 2002 heeft dhr. Heeren zowel aan [aanvrager] als aan zijn raadsman een (aangetekende) brief verzonden met het dringende verzoek contact op te nemen. Hierop is geen reactie gekomen. Uit de gemeenschappelijke basisadministratie blijkt dat het adres waarnaar die brief is gezonden, het adres is waar [aanvrager] staat ingeschreven. Tot slot heeft dhr. Heeren op 9 september 2002 contact gehad met mr. Jaasma, hetgeen evenmin iets opleverde. De conclusie van het bovenstaande moet zijn dat [aanvrager] voldoende gelegenheid heeft gehad de juistheid van zijn stellingen aan te tonen." 4.4. Gelet op de hiervoor onder 4.3 weergegeven resultaten van het te dezen ingestelde onderzoek, geeft de inhoud van de hiervoor onder 4.2 weergegeven aangifte onvoldoende steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Het aangevoerde kan derhalve niet worden aangemerkt als een omstandigheid die het onder 4.1 bedoelde ernstige vermoeden doet ontstaan. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv worden afgewezen. 5. Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 1 april 2003.