Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF5581

Datum uitspraak2003-03-12
Datum gepubliceerd2003-03-12
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200205306/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200205306/1. Datum uitspraak: 12 maart 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 22 augustus 2002 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. 1. Procesverloop Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de directeur van de Stedelijke Woningdienst Amsterdam namens het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) op de voet van de Huisvestingsverordening 1999 de bemiddeling ter verkrijging van woonruimte ten behoeve van appellant, beëindigd. Bij besluit van 16 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 3 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 21 november 2002 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht en het college, vertegenwoordigd door mr. N.F. Wohlgermut Kitslaar, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Terecht heeft de voorzieningenrechter het geschil toegespitst op de vraag of het college het niet reageren van appellant op de aanbieding van de woning gelijk heeft kunnen stellen met de weigering daarvan en of het college het besluit van 15 januari 2002 in redelijkheid heeft kunnen handhaven. De voorzieningenrechter is op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat het college heeft kunnen concluderen dat appellant heeft geweigerd de hem toegewezen woning te accepteren. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling voorts van oordeel dat appellant voldoende was geïnformeerd omtrent de gevolgen van het weigeren van de eenmalige aanbieding van woonruimte. Ook is, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die het college in dit geval had moeten nopen tot afwijking van de toepasselijke richtlijnen. 2.2. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat. w.g. Bijloos w.g. De Koning Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003 221.