
Jurisprudentie
AF6573
Datum uitspraak2002-11-15
Datum gepubliceerd2003-03-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/81837, 02/81838
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-03-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/81837, 02/81838
Statusgepubliceerd
Indicatie
AC-procedure / authenticiteit paspoort / contra-expertise.
Verzoeker stelt burger te zijn van de Federale Republiek Joegoslavië en Nederland te zijn ingereisd met een vals Sloveens paspoort. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat het paspoort vals zou zijn en gaat ervan uit dat verzoeker de Sloveense nationaliteit bezit. Nu er geen geloof gehecht wordt aan de nationaliteit van verzoeker wordt hiermee ook zijn asielrelaas ongeloofwaardig geacht. De rechter oordeelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat verzoeker uit Slovenië afkomstig is. Verzoeker heeft namelijk direct bij zijn aanvraag om toelating gemeld dat zijn Sloveens paspoort vals was en heeft zijn juiste personalia vermeld. Ook is verzoeker met behulp van een Albanese tolk gehoord terwijl het Albanees in Slovenië slechts in zeer beperkte mate wordt gesproken. Verweerder heeft zijn oordeel mede gebaseerd op twee onderzoeken die zijn uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee waaruit zou blijken dat het een echt paspoort betreft. Verweerder heeft echter een verzoek van de gemachtigde van verzoeker om een contra-expertise geweigerd omdat de 48-uursprocedure hier geen ruimte voor biedt. De rechter is van oordeel dat deze weigering tot het uitvoeren van een contra-expertise onder deze omstandigheden onzorgvuldig is. Het verzoek had niet binnen een aanmeldcentrum afgedaan kunnen worden. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
Nevenzittingsplaats Arnhem
Vreemdelingenkamer
Voorzieningenrechter
Registratienummers: Awb 02/81837 en 02/81838
Datum uitspraak: 15 november 2002
Uitspraak
ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
in de zaak van
A,
geboren op [...] 1982,
van Joegoslavische nationaliteit,
verzoeker,
gemachtigde mr. T. Pondaag,
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Y. Kalden,
ambtenaar in dienst van de IND.
Het procesverloop
Op 25 oktober 2002 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan.
Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Zevenaar.
Verzoeker heeft daartegen op 28 oktober 2002 beroep ingesteld.
Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 28 oktober 2002 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.
Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 november 2002. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Tevens is er een tolk in de Albanese taal verschenen.
De beoordeling
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Indien nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling, kan de voorzieningenrechter, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, na de zitting onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.
3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen, mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing.
4. Gezien de gronden van de hoofdzaak en het verzoek heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgrond.
5. Verzoeker stelt burger te zijn van de Federale Republiek Joegoslavië. Hij stelt Nederland te zijn ingereisd met een vals Sloveens paspoort op naam van B en vreest voor vervolging door de Ushtria Çlirimtare e Kosovës (UCK).
6. Verweerder twijfelt aan de door verzoeker gestelde identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat het paspoort van verzoeker vals zou zijn. Hierom gaat verweerder ervan uit dat verzoeker de Sloveense nationaliteit bezit. Nu er geen geloof wordt gehecht aan verzoekers nationaliteit wordt hiermee ook zijn asielrelaas ongeloofwaardig geacht.
7. De rechter oordeelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat verzoeker afkomstig is uit Slovenië. Zo heeft verzoeker direct bij zijn aanvraag om toelating gemeld dat zijn Sloveense paspoort vals was en heeft hij zijn juiste personalia gemeld. Ook heeft verzoeker zowel bij zijn eerste, zijn nader gehoor en aanvullend gehoor nogmaals verklaard dat het Sloveense paspoort met zijn foto is gemaakt maar dat hij niet B, van Sloveense nationaliteit is. Verzoeker heeft tijdens deze gehoren ook Albanees gesproken en is met behulp van een tolk Albanees gehoord terwijl het Albanees in Slovenië slechts in zeer beperkte mate wordt gesproken. Het valt voorts op dat de naam in het Sloveense paspoort een naam met een Slavische achtergrond is.
8. Verweerder heeft verder overwogen dat blijkens het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) van 25 oktober 2002 verzoekers paspoort hoogstwaarschijnlijk een echt paspoort betreft. Op 28 oktober 2002 heeft er een tweede onderzoek door de KMAR plaatsgevonden waaruit wederom is gebleken dat het een, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, echt paspoort betreft. De conclusie van het door de KMAR op 28 oktober 2002 gevoerde onderzoek naar de echtheid van het paspoort is echter niet eenduidig, nu eveneens geconcludeerd wordt dat niet kan worden vastgesteld of dit paspoort door de bevoegde autoriteiten is afgegeven.
9. Verzoeker heeft om een contra-expertise verzocht. Dit is door verweerder bij brief van 28 oktober 2002 geweigerd omdat: „de 48uurs procedure geen ruimte biedt voor een contra-expertise“.
10. De rechter is van oordeel dat deze weigering tot het uitvoeren van een contra-expertise onder deze omstandigheden niet zorgvuldig is. Verweerder heeft voorts nagelaten bij de Sloveense autoriteiten na te gaan of sprake was van een uitgegeven paspoort op naam van B. Het verzoek van verzoeker had gelet op het vorenoverwogene dan ook niet binnen een aanmeldcentrum afgedaan had kunnen worden.
11. Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12. Gelet op de beslissingen in beroep dient het verzoek te worden afgewezen.
13. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling, te weten: één punt voor het verzoekschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting en één punt voor het beroepschrift. Aangezien er van mag worden uitgegaan dat de gevraagde toevoegingen verleend zullen worden, dienen de vergoedingen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb betaald te worden aan de griffier.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt het besluit van 28 oktober 2002;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeker in verband met de behandeling van het beroep ten bedrage van € 322,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats;
wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af;
veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek ad € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2002 in tegenwoordigheid van mr. E.G.M. Seelen als griffier.
de griffier de voorzieningenrechter
w.g. Seelen w.g. Derksen
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,
nevenzittingsplaats Arnhem,
Verzonden: 15 november 2002
Rechtsmiddel:
Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden.
Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.

