Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF7061

Datum uitspraak2003-04-09
Datum gepubliceerd2003-04-09
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200204006/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200204006/1. Datum uitspraak: 9 april 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van de vereniging Wildbeheereenheid Den Ouwe Peel, gevestigd te Deurne, verzoekster, om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001, in zaak no. 200005805/1. 1. Procesverloop Bij uitspraak van 26 september 2001, in zaak no. 200005805/1, heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd en het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Bij brief van 3 juli 2002 heeft verzoekster de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 16 januari 2003 heeft de Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg (hierna: de Commissaris) van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [voorzitter] van verzoekster, vergezeld van [gemachtigde], en de Commissaris, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pouw en L.J.J. Heijkers, beiden ambtenaar van de provincie Limburg, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2.2. In het verzoekschrift heeft verzoekster betoogd dat de uitspraak van de Afdeling uitsluitend is gebaseerd op de door de Commissaris gesuggereerde onwil van de teler om preventieve maatregelen te treffen. Dit punt is volgens verzoekster op de zitting van haar kant onbesproken gebleven omdat de voorzitter eerder ter zitting haar het woord had ontnomen. Om een tweede schrobbering te voorkomen, is op de onjuiste bewering van de Commissaris niet gereageerd, mede omdat nu juist dit punt van het begin af aan uitgebreid in de stukken is behandeld. Tot slot heeft verzoekster betoogd dat de Afdeling zich bij het bepalen van haar oordeel onvoldoende heeft laten leiden door de informatie uit de stukken, die de onjuistheid van de bewering van de Commissaris ten aanzien van de inzet van preventieve middelen bewijst. 2.3. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid - als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Gelet hierop alsmede op het onder 2.2. weergegeven betoog van verzoekster zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd, die verzoekster vóór de uitspraak van de Afdeling niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn. Derhalve is geen sprake van feiten of omstandigheden als bedoeld in voormelde bepaling. 2.4. Het verzoek dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Zwemstra Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003 91-395.