Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF7584

Datum uitspraak2003-04-03
Datum gepubliceerd2003-04-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers11/005448-02
Statusgepubliceerd


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Tegenspraak Parketnummer : 11/005448-02 Zittingsdatum : 20 maart 2003 Uitspraak : 03 april 2003 VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv) De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1933 te [geboorteplaats], wonende te [adres verdachte]. De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. 1. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit. 2. De voorvragen 2.1 De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 2.2 De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. 2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. 2.4 De schorsing van de vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken. 3. Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie -het onder feit 1. primair en feit 3. ten laste gelegde bewezen achtend- heeft gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting. 3.2 De verdediging De verdediging heeft naast bewijsverweren ook een strafmaatverweer gevoerd. 4. De vrijspraak Aan verdachte is onder 1. en 2. ten laste gelegd dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met twee meisjes die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt. Volgens de tenlastelegging betrof dit handelingen bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarnaast is aan verdachte onder 3. ten laste gelegd dat hij buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een meisje dat toen de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt. De rechtbank overweegt dat verdachte in de buurt waar hij tot voor kort woonde, regelmatig contact had met de buurtbewoners. Zo kwamen buurkinderen bij verdachte aan huis om te spelen en ook buitenshuis had verdachte contacten en verleende hij de nodige hand- en spandiensten. Verdachte, die alleenstaande is, had daardoor enige afleiding en fungeerde als een soort 'buurtopa'. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat er in de loop der tijd kennelijk een geruchtencircuit rondom verdachte is ontstaan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte zich vergreep aan kinderen die bij hem thuis kwamen. Alhoewel de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat verdachte -die op de hoogte was van deze geruchten- in zijn behoefte aan aanloop en sociale contacten hierin soms wat naïef lijkt te hebben gehandeld, is de rechtbank de overtuiging toegedaan dat niet uit te sluiten is dat mede op grond van dit geruchtencircuit de beide jonge vermeende slachtoffertjes tot hun verhaal zijn gekomen. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank dan ook niet de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit heeft begaan. Voor wat betreft het onder 2. ten laste gelegde ontbreekt het wettig bewijs, aangezien er naast de aangifte onvoldoende bewijs is dat deze aangifte ondersteunt. Voor wat betreft het onder 3. ten laste gelegde geldt eveneens dat het wettig bewijs ontbreekt, aangezien de verdenking feitelijk alleen berust op een aangifte. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. 5. De beslissing De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. W. van Veen, voorzitter, en mrs. T.F. van der Lugt en C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. de Boom, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 03 april 2003.