Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF7659

Datum uitspraak2003-04-09
Datum gepubliceerd2003-04-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 03/00129
Statusgepubliceerd


Uitspraak

WAHV 03/00129 9 april 2003 CJIB 19045942874 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage van 18 september 2002 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is verzonden. Het bepaalde in art. 3:41, eerste lid, Awb brengt mee, dat eerst van bekendmaking van de beslissing op de voorgeschreven wijze sprake is, indien het afschrift naar het juiste adres - waarbij het door de betrokkene opgegeven adres leidend is - is verzonden. 3.2. De beslissing van de kantonrechter is, blijkens een daarop gestelde aantekening en blijkens een brief van de griffier van de rechtbank, op 4 oktober 2002 naar de betrokkene verzonden. Als adres in de beslissing en in de brief van de griffier wordt gebezigd [adres betrokkene]. De betrokkene heeft als zijn adres in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie opgegeven [adres] 3.3. Nu de beslissing van de kantonrechter niet naar het door de betrokkene opgegeven adres is gezonden, moet het beroepschrift van de betrokkene, gedateerd 17 november 2002 en binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden op 4 december 2002, met inachtneming van het bepaalde in art. 6:10, aanhef en onder a Awb, als tijdig ingediend worden beschouwd. 3.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt €Euro 27,23 (ƒ 60,--). 3.5. Het beroepschrift strekt ten betoge dat het hoger beroep niettemin ontvankelijk is, nu de betrokkene geen eerlijk proces heeft gehad bij de kantonrechter. Hiertoe voert de betrokkene het volgende aan: a. de beslissing van de kantonrechter is gefundeerd op de meetresultaten van een apparaat dat onbetrouwbaar kan functioneren; b. de kantonrechter heeft de betrokkene ten onrechte een afschrift van het ijkrapport van het betreffende meetapparaat onthouden; c. de termijn, toegestaan voor het versturen van een inleidende beschikking is dusdanig lang dat een betrokkene hierdoor in zijn verdediging benadeeld wordt; d. ten onrechte is de kentekenhouder aansprakelijk voor alle gedragingen, hetgeen met name kan leiden tot schending van verschoningsrecht van bepaalde getuigen; e. de kantonrechter is niet ingegaan op het betoog van de betrokkene, dat oplegging van standaardsancties meebrengt dat niet elke zaak op zijn eigen omstandigheden wordt beoordeeld; f. het voornemen bestaat om tot zogenaamde trajectmetingen over te gaan; g. de kantonrechter heeft ten onrechte geaccepteerd dat er geen gelegenheid bestaat per zaak een geëigende sanctie op te leggen; h. blijkens een persbericht van 5 oktober 2002 wordt een proef gedaan met zgn. homogenisering van de maximumsnelheden 3.6. Met betrekking tot de hiervoor onder a., e., en g. genoemde punten overweegt het hof, dat de kantonrechter - expliciet, dan wel impliciet - inhoudelijk heeft beslist op het betoog van de betrokkene. Van belang is hierbij dat de kantonrechter had kunnen oordelen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een sanctie niet billijken, dan wel dat, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie diende te worden vastgesteld. Het enkele feit dat de kantonrechter de grieven niet heeft gehonoreerd brengt niet mee dat hij is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat hij zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. 3.7. Ten aanzien van de klacht van de betrokkene, zoals hiervoor onder b. weergegeven, geldt dat geen wettelijke bepaling voorschrijft, dat in een geval als het onderhavige het ijkrapport deel uitmaakt van de stukken van het geding. Een en ander brengt mee, dat de betrokkene aan art. 11, vierde lid, WAHV geen aanspraak op inzage van dat rapport of verstrekking van een afschrift daarvan kon ontlenen, terwijl een zodanige aanspraak in het kader van de onderhavige procedure evenmin uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit (vgl. HR 27 oktober 1998, VR 1999, nr. 53). Ook in zoverre kan derhalve niet gezegd worden dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. 3.8. Bij beschikking, verzonden op 23 oktober 2001, is aan de betrokkene een sanctie opgelegd ter zake van een op 12 augustus 2001 begane gedraging. De tussen 12 augustus 2001 en 23 oktober 2001 verstreken termijn is, gelet op art. 4, tweede lid, tweede volzin, WAHV, niet zodanig lang dat redelijkerwijs geoordeeld moet worden dat de betrokkene in zijn verdediging is geschaad, zoals hij hiervoor onder c., in algemene termen, stelt. Derhalve kan niet gezegd worden dat de kantonrechter door zijn beslissing heeft miskend dat het recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling geweld is aangedaan. 3.9. Ten aanzien van het onder d. aangevoerde geldt, dat niet valt in te zien dat de regeling van de kentekenaansprakelijkheid als bedoeld in art. 5 WAHV, in zijn algemeenheid strijdig is met het EVRM. Dat geldt ook ten aanzien van de kentekenaansprakelijkheid van de betrokkene, te meer daar de kantonrechter in het geheel geen getuigen heeft gehoord. 3.10. De hiervoor onder f. en h. genoemde omstandigheden zijn niet eerder door de betrokkene naar voren gebracht en kunnen derhalve nimmer meebrengen dat geoordeeld zou kunnen worden dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. 3.11. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is derhalve geen plaats. 4. De beslissing Het gerechtshof: verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door mr. Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.