Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF7745

Datum uitspraak2003-04-22
Datum gepubliceerd2003-04-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200051302
Statusgepubliceerd


Uitspraak

parketnummer 1003133501 datum uitspraak 22 april 2003 tegenspraak GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 3 januari 2002 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] 1. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 september 2002 en 8 april 2003. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. 3. Procesgang In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, voorzover betrekking hebbend op die handelingen die in Parijs zouden zijn gepleegd. Voorts is de verdachte van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 primair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Ingevolge artikel 5 (oud), eerste lid, aanhef en onder ten 2°, van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. In eerste aanleg is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op handelingen die gepleegd zouden zijn in Parijs, nu niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van dubbele strafbaarheid ten aanzien van die handelingen. De rechtbank heeft, zonder daartoe zelf enig onderzoek ter terechtzitting te verrichten, in dat kader volstaan met de overweging dat het openbaar ministerie heeft verzuimd wetsbepalingen over te leggen die voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid noodzakelijk zijn. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep alsnog de wetteksten uit de Franse Code Pénal, alsmede de vertalingen daarvan, met betrekking tot verkrachting en andere ontuchtige handelingen overgelegd. Onder 1 is - voor zover in verband met de hierna inzake de bewezenverklaring te nemen beslissing van belang - aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999 te Rotterdam en/of Parijs meermalen heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van de fysiek gehandicapte[slachtoffer 1], die - blijkens het onderzoek ter terechtzitting - in de betreffende periode tussen de dertien en zestien jaren oud was, waarbij verdachte, naast het toepassen van het nader in de tenlastelegging omschreven geweld, volgens die tenlastelegging tevens gebruik of misbruik heeft gemaakt van het uit zijn functie van klassen-assistent voortvloeiende overwicht op genoemde [slachtoffer 1]. Verkrachting is als misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl blijkens artikel 222-23 van de Franse Code Pénale op verkrachting - zijnde iedere handeling van seksueel binnendringen, van welke aard ook, gepleegd op een ander door geweld, dwang, bedreiging of overrompeling - een gevangenisstraf van vijftien jaren is gesteld. Daarenboven worden onder meer de omstandigheden dat het slachtoffer de leeftijd van vijftien jaren nog niet heeft bereikt, dat het slachtoffer iemand is waarvan de bijzondere kwetsbaarheid door invaliditeit aan de dader duidelijk of bekend is en dat de dader misbruik heeft gemaakt van het gezag dat uit diens functie voortvloeit blijkens artikel 222-24 van de Franse Code Pénale als strafverzwarend aangemerkt. Onder 3 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich in of omstreeks de periode van 29 april 1996 tot en met 2 mei 1996 te Rotterdam en/of Parijs meermalen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met de destijds dertienjarige en aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 3], zijnde een misdrijf, strafbaar gesteld bij het eerste lid van artikel 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens artikel 222-27 van de Franse Code Pénale wordt het plegen van - niet onder de delictsomschrijving van verkrachting vallende - ontuchtige handelingen bedreigd met een gevangenisstraf van vijf jaren en een geldboete, terwijl de omstandigheid dat het slachtoffer de leeftijd van vijftien jaren nog niet heeft bereikt ingevolge artikel 222-29 van de Franse Code Pénale strafverzwarend werkt. Uit het vorenstaande vloeit voort dat, zowel ten aanzien van het onder 1 primair als ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, voldaan is aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid, als neergelegd in artikel 5 (oud), eerste lid, aanhef en onder ten 2°, van het Wetboek van Strafrecht, zodat - nu de verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit - het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van die feiten, ook voor zover deze zich in Parijs zouden hebben afgespeeld. 5. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 6. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt. BIJLAGE: 1. dat hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999 te Rotterdam en/of Parijs meermalen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het: - brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de anus en/of de mond van die [slachtoffer 1] en - brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus van die [slachtoffer 1] en/of - zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of - aftrekken van die [slachtoffer 1] en/of - (doen) betasten en/of vastpakken en/of vasthouden van zijn, verdachtes, (blote) penis door die [slachtoffer 1]; het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hebben bestaan uit het - stevig beetpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of - beetpakken en/of vasthouden van de hand van die [slachtoffer 1] en (vervolgens) die hand zijn, verdachtes, penis laten/doen beetpakken en/of - misbruik maken van zijn, verdachtes, (psychisch) overwicht over die (fysiek gehandicapte) [slachtoffer 1], voortvloeiende uit zijn functie van klasse-assistent op mytylschool [naam]; 2. dat hij, in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 te Rotterdam met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer 2] (geboren [datum] 1984), ontucht heeft gepleegd, namelijk het strelen van de schouder en borst en buik en bovenbenen en penis van die [slachtoffer 2]; 3. dat hij, in de periode van 29 april 1996 tot en met 2 mei 1996 te Rotterdam en/of Parijs meermalen, met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer 3] (geboren [datum] 1983) ontucht heeft gepleegd, namelijk het strelen en/of betasten van de zij en/of de borst en/of de buik en/of het hoofd en/of de nek en/of de penis en/of de billen van die [slachtoffer 3]; 4. dat hij, in de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 te Rotterdam en Slagharen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer 4] (geboren [datum] 1980) ontucht heeft gepleegd, namelijk het - aftrekken van die [slachtoffer 4] en - strelen en/of betasten van de borst en/of het lichaam en/of de penis van die [slachtoffer 4]; 5. dat hij, in de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 te Rotterdam en/of de provincie Drenthe, meermalen, met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer 5] (geboren [datum] 1981) ontucht heeft gepleegd, namelijk het - aftrekken van de (stijve) penis van die [slachtoffer 5] en/of - laten aftrekken van zijn, verdachtes, (stijve) penis door die [slachtoffer 5] en/of - in zijn, verdachtes, mond nemen van en/of zuigen aan de penis van die [slachtoffer 5]; Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 7. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. 8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: Verkrachting, meermalen gepleegd; Feiten 2, 3, 4 en 5: Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd. 9. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 10. Strafmotivering De advocaat-generaal mr. Strack heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden ontzet uit het recht om werkzaam te zijn als leerkracht. Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drie jaren met grote regelmaat schuldig gemaakt aan verkrachting van de minderjarige en lichamelijk gehandicapte [slachtoffer 1], die hij uit hoofde van zijn functie als klassenassistent op de mytylschool De Brug had leren kennen. De verdachte heeft, onder het mom de ouders van [slachtoffer 1] te willen ontlasten, het initiatief genomen om [slachtoffer 1] gemiddeld twee weekenden per maand bij hem te laten logeren en heeft [slachtoffer 1] tijdens die logeerpartijen op orale en anale wijze verkracht, alsmede - zo ook tijdens een weekend in Euro Disney te Parijs - ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] gepleegd. De verdachte heeft aldus het vertrouwen, dat de ouders van [slachtoffer 1] in hem hebben gesteld, grovelijk beschaamd en op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1], die vanwege zijn lichamelijke handicap in een kwetsbare positie verkeerde en niet in afdoende mate in staat was om aan het handelen van de verdachte weerstand te bieden en die, gezien de ten tijde van zijn verhoor door de politie getoonde emotionele reacties, in psychisch opzicht zwaar onder het handelen van de verdachte heeft geleden en, naar te verwachten valt, nog geruime tijd zal lijden. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met vier andere minderjarige jongens, die eveneens in het kader van bij hem thuis gehouden logeerpartijen dan wel uitjes naar Eurodisney in Parijs, het Ponypark Slagharen respectievelijk een vakantiekamp in Drenthe aan zijn zorg waren toevertrouwd en die hij had leren kennen uit hoofde van vorenbedoelde functie als klassenassistent dan wel in verband met zijn bestuurslidmaatschap van de judovereniging WCR of zijn leidinggevende positie als akela bij de scoutinggroep Oranje Blauw. Ook deze minderjarigen verkeerden in een - vanwege hun leeftijd en hun relatie tot de verdachte kwetsbare positie -, welke kwetsbare positie voor wat betreft [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] nog des te schrijnender was, nu eerstgenoemde, evenals [slachtoffer 1], lichamelijk gehandicapt is en laatstgenoemde destijds gebukt ging onder problemen in de thuissituatie. Het ligt in de lijn der verwachting dat ook deze slachtoffers nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte hen heeft aangedaan. De verdachte heeft, aldus handelend, slechts oog gehad voor bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft zich daarbij in het geheel niet bekommerd om de schade die hij bij zijn minderjarige slachtoffers heeft aangericht. Gegeven de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, de frequentie waarmee hij die feiten heeft gepleegd, het aantal slachtoffers dat hij daarbij heeft gemaakt, gelet op de omstandigheden dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie ten opzichte van de minderjarige slachtoffers, het vertrouwen dat de ouders in hem hebben gesteld en veelal ook van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers verkeerden, alsmede rekening houdend met het feit dat het handelen van de verdachte tot grote commotie in de gemeenschap, waarvan hij en de slachtoffers deel uitmaken, heeft geleid en ook meer in het algemeen een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter draagt, kan op de bewezenverklaarde feiten niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De verdachte heeft de thans bewezenverklaarde feiten van aanvang af - en naar nu valt vast te stellen: tegen beter weten in - ontkend. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte in het geheel geen inzicht heeft in het laakbare van zijn handelen en nog immer geen oog heeft voor de schade die hij bij zijn slachtoffers heeft aangericht. In tegendeel, hij heeft meergenoemde [slachtoffer 1] afgeschilderd als een jongen die veel liegt en graag de aandacht trekt, heeft gesteld dat de verklaring van [slachtoffer 3] "nergens op slaat", heeft de verklaring van eerdergenoemde [slachtoffer 5] als "belachelijk" gekwalificeerd en heeft overigens zichzelf als slachtoffer van een - geenszins aannemelijk geworden - wraakactie geprofileerd. Geconfronteerd met de door de groepsleider van de scoutinggroep Caland tegenover de politie afgelegde verklaring, inhoudende dat iedere akela op de hoogte is van de binnen de verkennerij geldende regel dat hij nimmer een kind van de scoutinggroep mee naar huis behoort te nemen, alsmede met de door de directeur van de mytylschool De Brug tegenover de politie afgelegde verklaring, inhoudende dat aan de verdachte reeds eerder was medegedeeld dat de directie van die school de logeerpartijen van leerlingen bij de verdachte thuis afkeurde en aan die logeerpartijen een einde diende te worden gemaakt, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat niemand voor hem kan bepalen wat hij in buitenschoolse of, meer in het algemeen, in eigen tijd doet. Dat alles maakt dat het hof de kans op recidive alleszins reëel acht. Hoewel het geïndiceerd lijkt die kans op recidive te verkleinen door de verdachte - in het kader van een deels voorwaardelijk op te leggen straf en een daaraan te verbinden bijzondere voorwaarde - te laten deelnemen aan het in het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 16 november 2001 genoemde Trainings-programma Seksuele Delictplegers van de polikliniek Het Dok van de Kijvelanden, komt de verdachte daarvoor, gezien zijn ontkennende houding, niet in aanmerking. Alles overwegende is het hof van oordeel dat de op te leggen vrijheidsstraf geheel onvoorwaardelijk dient te zijn, waarbij de duur in overheersende mate dient te worden bepaald door de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die feiten, zoals hiervoor nader uiteengezet zijn begaan, en de - met het oog op de recidivekans geboden - speciaal preventieve werking die van de op te leggen straf in deze behoort uit te gaan. Ten gunste van de verdachte valt daarbij slechts rekening te houden met de omstandigheid dat hij niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Volledigheidshalve zij overwogen dat de door de advocaat-generaal gevorderde bijkomende straf van ontzetting van het recht het beroep als leerkracht uit te oefenen in deze, gezien het bepaalde in artikel 251 (oud) juncto artikel 28, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet mogelijk is, nu het eerste lid van artikel 251 (oud) van het Wetboek van Strafrecht geen verwijzing bevat naar artikel 28, eerste lid en onder ten 5°, van dat wetboek en toepassing van het tweede lid van artikel 251 (oud) van het Wetboek van Strafrecht afstuit op het gegeven dat de verdachte de onder 2 tot en met 5 bewezenverklaarde feiten niet in zijn beroep (van leerkracht) heeft gepleegd. 11. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 242 en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN. Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mrs. E.P. von Brucken Fock, L.A.J.M. van Dijk en P.J. van der Flier, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2003. Mr. P.J. van der Flier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.