Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF7804

Datum uitspraak2003-04-25
Datum gepubliceerd2003-04-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers04/060358-02
Statusgepubliceerd


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND Parketnummer : 04/060358-02 uitspraak d.d. : 25 april 2003 TEGENSPRAAK VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: naam : [verdachte] voornamen : [verdachte] geboren op : 04 maart 1984 te [geboorteplaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats] thans gedetineerd in [P.I.]. 1. Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 april 2003. 2. De tenlastelegging De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat: hij op of omstreeks 22 oktober 2002 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een [medeverdachte], althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet - genoemde [slachtoffer] meermalen te slaan tegen diens hoofd en/of lichaam en - vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen te slaan en/of te schoppen tegen diens lichaam en/of diens hoofd en/of - het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de bestrating te slaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Artikel 287 Wetboek van Strafrecht; Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen: hij op of omstreeks 22 oktober 2002 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door met dat opzet - genoemde [slachtoffer] meermalen te slaan tegen diens hoofd en/of lichaam en - vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen te slaan en/of te schoppen tegen diens lichaam en/of diens hoofd en/of - het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de bestrating te slaan, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] tengevolge heeft gehad; Artikel 302 Wetboek van Strafrecht; Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen: hij op of omstreeks 22 oktober 2002 in de gemeente Venlo met [medeverdachte], op of aan de openbare weg, de [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het door voornoemde [medeverdachte] - meermalen slaan tegen het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en - vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen slaan en/of schoppen tegen diens lichaam en/of diens hoofd en/of - het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de bestrating slaan, waarbij hij, verdachte,- staande in de directe omgeving van die [medeverdachte] - door het roepen althans uiten van aanmoedigende en/of goedkeurende kreten althans woorden de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] heeft ondersteund en/althans door het maken van zwaaiende bewegingen met zijn armen de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] heeft aangemoedigd en/althans hij, verdachte, - staande in de directe omgeving van die [medeverdachte] - heeft nagelaten de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] te verhinderen althans te temperen althans te beëindigen, in elk geval zich niet van de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] heeft gedistantieerd Artikel 141 Wetboek van Strafrecht; Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. 3. De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4 . De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen. 6. Schorsing der vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7. Bewezenverklaring De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 22 oktober 2002 in de gemeente Venlo met [medeverdachte], op of aan de openbare weg, de [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het door voornoemde [medeverdachte] - meermalen slaan tegen het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en - vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen slaan en/of schoppen tegen diens lichaam en/of diens hoofd en/of - het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de bestrating slaan, waarbij hij, verdachte,- staande in de directe omgeving van die [medeverdachte] - door het roepen althans uiten van aanmoedigende en/of goedkeurende kreten althans woorden de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] heeft ondersteund en/althans door het maken van zwaaiende bewegingen met zijn armen de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] heeft aangemoedigd en/althans hij, verdachte, - staande in de directe omgeving van die [medeverdachte] - heeft nagelaten de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] te verhinderen althans te temperen althans te beëindigen, in elk geval zich niet van de gewelddadige handelingen van die [medeverdachte] heeft gedistantieerd Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 8. Het bewijs De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. 8.1 De bewijsmiddelen Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering. 8.2 Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De rechtbank overweegt ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegd, het navolgende: Verdachte is met [medeverdachte] van huis gegaan met de bedoeling om boodschappen te gaan doen bij Jan Linders. Het enkele gegeven dat verdachte in de vijftien jaren vriendschap met [medeverdachte] heeft ervaren dat [medeverdachte] agressief en gewelddadig kan zijn, maakt niet dat [verdachte] de gebeurtenissen had moeten voorzien, dan wel geacht moet worden, door met [medeverdachte] mee te gaan, een voorzienbaar risico te hebben genomen. Verdachte heeft, toen [medeverdachte] de confrontatie met [slachtoffer] wilde aangaan, geprobeerd hem daarvan te weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank valt verdachte tot zover geen verwijt te maken. Nadat [medeverdachte] de confrontatie is aangegaan en [slachtoffer] heeft geslagen en ook [slachtoffer] [medeverdachte] sloeg, heeft verdachte richting [medeverdachte] geroepen "sla hem terug", althans "sla hem". [medeverdachte] heeft verklaard dat hij dit niet heeft gehoord. De rechtbank merkt op dat ook het merendeel van de omstanders dit niet heeft gehoord. Het is dan ook aannemelijk dat deze woorden [medeverdachte] niet hebben bereikt en derhalve niet hebben bijgedragen aan de gedragingen van [medeverdachte]. Blijft de vraag of op verdachte een bijzonder zorg-(rechts-)plicht rustte om in te grijpen, die maakt dat bij nalaten verdachte als medepleger dient te worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat, nog afgezien van de vraag of in de gegeven context überhaupt gesproken kan worden van een zodanige zorg-(rechts-) plicht, op verdachte deze bijzondere zorg-(rechts-)plicht niet rustte. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat verdachte zwak begaafd is. Aan verdachte kan dan ook redelijkerwijs niet dezelfde norm worden opgelegd als aan een persoon met gemiddelde verstandelijke vermogens. Verdachte is beperkt in zijn mogelijkheden inzicht te krijgen in situaties en deze te doorzien. Alles heeft zich in een korte tijdspanne afgespeeld, waarbij het excessief geweld zich in de laatste fase heeft gemanifesteerd. Daarbij komt dat, voorzover verdachte al invloed had op [medeverdachte], deze invloed zeer beperkt was. Dit heeft verdachte ook ervaren toen hij [medeverdachte] wilde tegenhouden voorafgaande aan de confrontatie. Wat overblijft is het gegeven dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de gedragingen en zich, althans wat het slaan betreft, daarbij in woord heeft aangesloten. De rechtbank is van oordeel dat op basis daarvan niet kan worden geconcludeerd dat er tussen verdachte en [medeverdachte] sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen, zoals primair en subsidiair ten laste is gelegd, kan worden gesproken Verdachte dient daarvan dan ook te worden vrijgesproken. De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte, door naar [medeverdachte] te roepen "sla maar terug", althans "sla maar", zich heeft aangesloten bij de openlijke geweldpleging die [medeverdachte] pleegde door [slachtoffer] op de openbare weg te slaan en te schoppen en daarmede heeft bijgedragen tot de openlijke geweldpleging, met name door de extra agressie en dreiging die daar van uit gaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging geweld plegen jegens [slachtoffer]. 9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. 10. De strafbaarheid van verdachte De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft. 11. De straffen en/of maatregelen 11.1 De algemene overwegingen Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd. 11.2 De bijzondere overwegingen De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 15 april 2003 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 2 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze te hoog is. De rechtbank heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving. Openlijk, zinloos geweld brengt persoonlijk leed met zich mee, soms, zoals hier, immens leed. Het veroorzaakt maatschappelijke verontrusting en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Met name bij omstanders die getuige zijn geweest van dit geweld, kunnen lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid blijven bestaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, ondanks zijn beperkte capaciteiten, het foutieve van de handelwijze van [medeverdachte] heeft moeten inzien, in die mate dat van hem gevergd kon worden dat hij zich zou onthouden van het naar [medeverdachte] roepen "sla maar terug" althans "sla maar". De rechtbank laat dit meewegen bij de strafoplegging. De rechtbank laat tevens meewegen dat verdachte eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting en zoals die zijn vermeld in de over verdachte uitgebrachte rapporten, te weten: - het rapport d.d. 11 december 2002 van [medewerker] van Bureau Jeugdzorg; - het aanvullend psychologisch rapport d.d. 06 januari 2003 van drs. [naam]; Drs. [naam] stelt in haar rapport d.d. 06 januari 2003 vast, dat bij de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte sprake is van een zeer zwakke emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling. Bij verdachte kan gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Zijn beperkte cognitieve vaardigheden beïnvloeden zijn denken en handelen in belangrijke mate. Hij heeft meer moeite dan anderen om de gevolgen en consequenties van zijn handelen geheel te overzien. Ook zijn beïnvloedbaarheid en geringe weerbaarheid kunnen grotendeels vanuit zijn cognitieve beperkingen worden verklaard. Drs. [naam] adviseert daarom toepassing van het minderjarigenstrafrecht. De rechtbank vindt, gelet op het advies van voornoemde rapportrice, in de persoonlijkheid van verdachte grond om recht te doen overeenkomstig het minderjarigenstrafrecht. De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf. Met het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. In zijn rapport d.d. 11 december 2002 vermeld [medewerker] dat verdachte een laag IQ heeft en niet functioneert op een niveau dat leeftijdsadequaat is. Dit is de reden is waarom de begeleiding van verdachte niet is overgedragen aan de volwassen reclassering. In zijn advies geeft [medewerker] te kennen dat de jeugdreclassering verdachte verder wil blijven begeleiden. Ook hiermee houdt de rechtbank rekening bij het bepalen van de op te leggen straf. 11.3 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [benadeelde partij], wonende [adres], [woonplaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade. [benadeelde partij] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 2536,66 gesteld en wil die schade vergoed krijgen. Ten laste van verdachte is het hiervoor meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen, te weten openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Aan de vordering van de benadeelde partij ligt een feitencomplex ten grondslag, -te weten primair medeplegen van doodslag en subsidiair medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel de dood tengevolge hebbend- waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, derhalve dient [benadeelde partij] niet ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten dan ook vaststellen op nihil. De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. 12. Toepasselijke wetsartikelen Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 27, 77c, 77i, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar; veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 12 maanden; beveelt dat van deze jeugddetentie 6 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd; stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht; beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde jeuddetentie geheel in mindering zal worden gebracht; verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk en bepaalt de kosten terzake op nihil. De rechtbank adviseert de jeugddetentie ten uitvoer te leggen in een daartoe geëigende jeugdinrichting. De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de straf. Vonnis gewezen door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, F. Oelmeijer en E.P.J. Rutten, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 april 2003 . typ: ROEL coll: