Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF8325

Datum uitspraak2003-02-21
Datum gepubliceerd2003-05-07
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/5067 ONGEWN
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ongewenstverklaring / ambtelijke misslag / vertrouwensbeginsel. Eiser is in 1991 ten gevolge van een ambtelijke misslag ingeschreven in de GBA van Amsterdam zijnde in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Op 30 oktober 1996 is deze misslag hersteld, bij welke gelegenheid eisers Nederlandse paspoort is ingenomen. In december 1999 is eiser ongewenst verklaard naar aanleiding van een in 1994 gepleegd misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank mocht eiser ervan uitgaan dat hij de periode van 22 januari 1991 tot 30 oktober 1996 beschikte over de Nederlandse nationaliteit. Eiser mocht er derhalve op vertrouwen gedurende bovengenoemde periode wat betreft zijn rechtspositie als Nederlander te worden behandeld. In het onderhavige geval is vertrouwen gewekt door een foutieve inschrijving in de GBA door of namens de gemeente Amsterdam. Deze handeling kan weliswaar niet aan verweerder worden toegerekend, doch verweerder dient vorenstaande feiten en omstandigheden te betrekken in de overwegingen op grond van het gestelde in artikel 4:84 Awb. Daarnaast is eiser ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Niet is gebleken dat in dit geval een uitzondering op het principe van het horen is gerechtvaardigd. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 en 7: 12 Awb. Beroep gegrond.


Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 02/5067 ONGEWN inzake: A, geboren op [...] 1974, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te B, eiser, gemachtigde: mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. A. Mearadji, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage. I. PROCESVERLOOP 1. Bij besluit van 21 december 1999 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Bij bezwaarschrift van 17 januari 2000 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 16 januari 2002 ongegrond verklaard. 2. Bij beroepschrift van 18 januari 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 19 februari 2002. Op 3 mei 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 augustus 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. II. VOORAFGAANDE FEITEN 1. Op 11 augustus 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege het feit dat hij al voor zijn twaalfde jaar bij zijn ouders in Nederland is komen wonen. Bij besluit van 15 september 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 6 oktober 1998 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 november 2001 (AWB 99/12090) is het beroep, gericht tegen het besluit tot het ongegrond verklaren van het bezwaar, ongegrond verklaard. 2. Eiser is op 13 oktober 1974 in Nederland geboren. In 1976 heeft eiser, samen met zijn ouders, Nederland verlaten. In 1989 is eiser naar Nederland teruggekeerd, waarna hij hier tot 1990 heeft verbleven. Vervolgens heeft hij tien maanden bij zijn zuster in België gewoond. Daarna is hij in 1991 wederom Nederland binnengekomen. Op 22 januari 1991 is eiser door een ambtelijke misslag ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van de gemeente Amsterdam als zijnde in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en is hij in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 3 juni 1992 is deze ambtelijke misslag hersteld en is eiser ingeschreven in de GBA als zijnde in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit. 3. Toen eiser zich in oktober 1996 aanmeldde om de geldigheidsduur van zijn Nederlandse paspoort te verlengen, werd het Nederlandse paspoort door de behandelend gemeenteambtenaar ingenomen. 4. Uit een uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 14 november 2001 is gebleken dat eiser bij uitspraak van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam van 27 april 1994, onherroepelijk geworden op 12 mei 1994, is veroordeeld wegens het plegen van diefstal gevolgd door bedreiging met geweld tegen personen tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden. Eiser is bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 20 september 1996, onherroepelijk geworden op 5 oktober 1996, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens het opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Voorts is gebleken dat eiser op 16 augustus 2000 en 4 maart 2001 is aangehouden voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. III. STANDPUNTEN PARTIJEN 1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat de ongewenstverklaring niet strijdig is met het vertrouwensbeginsel. De vraag of eiser ten tijde van het plegen van bovengenoemde delicten al dan niet rechtmatig in het bezit zou zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit is niet relevant voor de vraag of het plegen van deze delicten voldoende grond oplevert voor een ongewenstverklaring ex artikel 21 Vw (oud). Het staat immers vast dat eiser ten tijde van het opmaken van het bestreden besluit niet meer in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. De omstandigheid dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat hij in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, doet niet af aan het feit dat eiser de misdrijven heeft gepleegd. Door de abusievelijke verlening van het Nederlanderschap aan eiser, heeft de Nederlandse overheid niet de verwachting gewekt dat het eiser vrijstond misdrijven te plegen. Aan een eventueel opgewekt vertrouwen dat eiser legaal in Nederland zou verblijven is in ieder geval een einde gekomen op 30 oktober 1996, toen het Nederlandse paspoort van eiser is ingenomen. Betreffende de gestelde schending van de hoorplicht verwijst verweerder naar hetgeen in dit verband ter sprake is gekomen tijdens de hoorzitting van 6 oktober 1999, zijnde een hoorzitting naar aanleiding van het bezwaarschrift gericht tegen de niet inwilliging van de aanvraag van 11 augustus 1998. Voorts merkt verweerder op dat eiser bij brief van 13 oktober 1999 in de gelegenheid is gesteld om binnen twee weken zijn zienswijze naar voren te brengen op het voornemen om hem ongewenst te verklaren. Bij schrijven van 26 oktober 1999 heeft eisers gemachtigde een reactie gegeven op het voorstel tot ongewenstverklaring. Van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is volgens verweerder geen sprake. 2. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn ongewenstverklaring strijd oplevert met het vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij er sedert 1991 op mocht vertrouwen dat hij in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Hij is in de GBA van de gemeente Amsterdam ingeschreven als zijnde in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en hij had een Nederlands paspoort. Eerst op 30 oktober 1996 is het eiser duidelijk geworden dat zijn inschrijving als Nederlander was te wijten aan een ambtelijke misslag. De misdrijven die tot de ongewenstverklaring hebben geleid zijn gepleegd voordat het eiser duidelijk was dat de inschrijving als Nederlander berustte op een ambtelijke misslag. Dat verweerder zonder enige motivering voorbijgaat aan het opgewekt vertrouwen bij eiser, levert strijd op met artikel 7:12 van de Awb. Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen. Eiser mocht er immers op vertrouwen dat hij ten tijde van het plegen van de misdrijven legaal c.q. als Nederlander hier verbleef. Ten slotte is de ongewenstverklaring in strijd met artikel 8 EVRM. 3. In het verweerschrift stelt verweerder dat de omstandigheid dat eiser op het moment van het plegen van de misdrijven in de veronderstelling zou hebben verkeerd Nederlander te zijn, niet afdoet aan het feit dat eiser de misdrijven heeft gepleegd, hetgeen de reden heeft gevormd om over te gaan tot de ongewenstverklaring. Het zogeheten dispositievereiste waaraan moet zijn voldaan voordat een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gehonoreerd gaat naar verweerders oordeel niet zover dat daaronder ook het plegen van (ernstige) misdrijven zou kunnen worden verstaan. IV. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. 2. Ingevolge artikel 67, eerste lid, onder b en c, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd of indien hij in Nederland verblijft anders dan op grond van artikel 8, onder a tot en met l, van de Vw 2000, en hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. In artikel 6.5, aanhef, en onder b, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is bepaald dat in ieder geval tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan indien de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, wegens een misdrijf bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot één of meer vrijheidsontnemende straffen of maatregelen, waarvan de totale duur zes maanden of meer bedraagt. 3. In het primaire besluit van 21 december 1999 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser sedert 1992 op de hoogte zou zijn van het feit dat hij niet in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Eiser stelt daarentegen dat hij eerst in oktober 1996 op de hoogte gesteld is van het feit dat er sprake was van een ambtelijke misslag ten aanzien van de toekenning van de Nederlandse nationaliteit. Niet in geschil is dat eisers paspoort op 30 oktober 1996 is ingenomen door een gemeenteambtenaar. Nu niet anders is gebleken gaat de rechtbank er derhalve van uit dat het eiser eerst sedert 30 oktober 1996 duidelijk was dat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef. 4. Het vorenstaande leidt ertoe dat eiser naar eigen zeggen er van uit is gegaan en naar het oordeel van de rechtbank er van uit mocht gaan dat hij, in ieder geval gedurende de periode van 22 januari 1991 tot 30 oktober 1996, beschikte over de Nederlandse nationaliteit. Tijdens voornoemde periode heeft eiser twee misdrijven gepleegd en hij is daarvoor veroordeeld. Na 30 oktober 1996 is eiser niet veroordeeld wegens een misdrijf. Weliswaar is hij twee maal aangehouden terzake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, doch deze feiten zijn een direct gevolg van de ongewenstverklaring van eiser. In onderhavig geval is de ten onrechte gebleken veronderstelling Nederlander te zijn niet zonder betekenis. Eiser mocht er op vertrouwen dat hij Nederlander was en hij mocht er derhalve op vertrouwen gedurende de periode van 22 januari 1991 tot 30 oktober 1996 wat betreft zijn rechtspositie als Nederlander te worden behandeld. Verweerder heeft dit aspect onvoldoende in zijn overwegingen betrokken. Er is in onderhavig geval vertrouwen gewekt door een foutieve inschrijving in de GBA door of namens de gemeente Amsterdam. Deze handeling kan niet aan verweerder worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat derhalve een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel niet mogelijk is. Dit laatste laat echter onverlet dat verweerder vorenstaande feiten en omstandigheden had dienen te betrekken in de overwegingen op grond van het gestelde in artikel 4:84 van de Awb. 5. Het horen van eiser is voor het vaststellen of sprake is van bijzondere omstandigheden als meest aangewezen middel te beschouwen. Eiser is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Dat eiser in het kader van een (andere) reguliere procedure op 6 oktober 1999 door een ambtelijke commissie is gehoord, en in het kader van de procedure tot ongewenstverklaring op 13 oktober 1999 in de gelegenheid is gesteld om – schriftelijk – zijn zienswijze kenbaar te maken, leidt niet tot het oordeel dat verweerder eiser derhalve in de onderhavige procedure niet meer behoefde te horen. In het kader van een te maken belangenafweging dient in beginsel te worden gehoord. Te meer gelet op de ingrijpende gevolgen van de ongewenstverklaring. Niet is gebleken dat in dit geval een uitzondering op het principe van het horen van eiser is gerechtvaardigd. 6. Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient daarbij te betrekken dat eiser vanaf het moment dat hij wist dat hij geen Nederlander was niet meer is veroordeeld ter zake van het plegen van een misdrijf. 7. De overige grief betreffende artikel 8 EVRM behoeft, gelet op hetgeen reeds is overwogen, geen nadere bespreking. 8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand. 9. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. V. BESLISSING De rechtbank 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; 4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier; 5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,-- (zegge: honderdnegen euro). Gewezen door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier en openbaar gemaakt op: 21 februari 2003 De griffier, De voorzitter Afschrift verzonden op: 21 februari 2003 Conc: JGa Coll: Bp: - D: B Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.