Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF8562

Datum uitspraak2003-09-02
Datum gepubliceerd2003-10-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01914/02 B
Statusgepubliceerd


Indicatie

2 september 2003 Strafkamer nr. 01914/02 B SCR/KD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het door de Rechtbank te Haarlem bij beschikking van 29 augustus 2002, nummer RK 02/474, naar de Hoge Raad verwezen klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [klaagster], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]. 1. De beschikking ...


Conclusie anoniem

Nr. 01914/02 B Mr. Fokkens Zitting 6 mei 2003 Conclusie inzake: [klaagster] 1. De Rechtbank te Haarlem heeft zich bij beschikking van 29 augustus 2002 onbevoegd verklaard om van het door klaagster ingediende beklag kennis te nemen, en bepaalt dat het klaagschrift zou worden doorgezonden aan de Hoge Raad, zijnde het wel bevoegde gerecht. 2. Namens klaagster heeft mr. J.P.C. ten Wolde, advocaat te Haarlem, drie middelen van cassatie voorgesteld. 3. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen wil ik het volgende opmerken. De Rechtbank achtte zich onbevoegd om van het klaagschrift kennis te nemen en heeft het klaagschrift derhalve doorgezonden naar de in haar ogen bevoegde rechter. 4. Er is derhalve geen sprake van een beroep in cassatie dat zou zijn ingesteld door klaagster tegen de beschikking van de Rechtbank. De griffie van de Hoge Raad heeft, na ontvangst van het klaagschrift, echter een aanzegging ingevolge art. 447, lid 1, Sv aan klaagster doen uitreiken, inhoudende onder meer dat een advocaat tijdig namens haar een schriftuur moest indienen op straffe van niet-ontvankelijkheid. Voorts vermeldt de aanzegging dat klaagster beroep in cassatie zou hebben ingesteld tegen de beschikking en dat de stukken dienaangaande op 4 september 2002 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dit verklaart de indiening van een schriftuur alsmede waarom in de schriftuur (abusievelijk) wordt gesproken over een op 4 september 2002 ingesteld beroep in cassatie. 5. Bij gebreke van een cassatieberoep dienen de middelen echter buiten beschouwing te blijven. Zo niet de beschikking van de Rechtbank waarbij zij zich onbevoegd heeft verklaard en heeft bepaald dat het klaagschrift moest worden doorgestuurd naar de Hoge Raad. 6. De aan die beschikking van de Rechtbank ten grondslag liggende gang van zaken was als volgt. Klaagster heeft op 19 juli 2002 bij de Rechtbank een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan haar van een onder haar broer inbeslaggenomen geldbedrag. 7. De betreffende broer, [de opgeëiste persoon], was op 15 mei 2002 ter fine van uitlevering aan Duitsland aangehouden. Daarbij is het geldbedrag, dat hij bij zich had, in beslag genomen. Bij uitspraak van 22 juli 2002 heeft de Rechtbank vervolgens de uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard en bepaald dat het inbeslaggenomen geld aan Duitsland dient te worden overgedragen. Op dezelfde dag heeft [de opgeëiste persoon] beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. 8. Het klaagschrift van klaagster is op 22 augustus 2002 behandeld ter openbare zitting in raadkamer. Op 29 augustus 2002 volgt de beschikking waarbij de Rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het klaagschrift kennis te nemen, omdat de broer [de opgeëiste persoon] voor de aanvang van de behandeling daarvan (de beschikking dagbepaling is gedateerd op 23 juli 2002) reeds beroep in cassatie had ingesteld. Hiermee was, in de ogen van de Rechtbank, de Hoge Raad de bevoegde rechter geworden, zijnde het gerecht waarvoor de zaak op dat moment diende dan wel het laatst had gediend. 9. Art. 47 van de Uitleveringswet bepaalt in het derde lid dat onder meer art. 552a Sv van overeenkomstige toepassing is in geval van inbeslagneming in het kader van een uitlevering, en dat in de plaats van het in art. 552a Sv genoemde bevoegde gerecht de rechtbank treedt -voorzover in het onderhavige geval van toepassing- tot welke de vordering tot behandeling van het uitleveringsverzoek is gericht. 10. Nog daargelaten dat, analoog aan art. 552a lid 2 Sv, er van uitgegaan kan worden dat ook art. 47 Uitleveringswet ziet op de rechter die de uitlevering feitelijk behandelt(1), kan uit de uitdrukkelijke aanwijzing van de Rechtbank in art. 47 Uitleveringswet worden afgeleid dat de Hoge Raad als bevoegde rechter bij de feitelijke behandeling van een klaagschrift over in het kader van een uitlevering inbeslaggenomen zaken niet in beeld komt. 11. In het licht van het voorgaande was de Rechtbank derhalve, ook nadat de broer cassatie had ingesteld, de bevoegde rechter met betrekking tot het klaagschrift van klaagster. De Rechtbank heeft zich derhalve ten onrechte onbevoegd verklaard. 12. Dit zou betekenen dat de Hoge Raad zich onbevoegd verklaart en bepaalt dat het klaagschrift wordt teruggezonden naar de Rechtbank. Ware het niet dat zich de volgende complicatie voordoet. 13. Het door [de opgeëiste persoon] ingestelde cassatieberoep is, naar mij ambtshalve bekend is, door de Hoge Raad bij arrest van 12 november 2002 (zaaknr: 01678/02 U, LJN: AE8853) verworpen. De uitspraak terzake de uitlevering en de overdracht van het geld aan Duitsland is daarmee inmiddels onherroepelijk geworden. 14. Wat voor gevolgen heeft dit voor de positie van klaagster? In HR 14 juni 1984, DD 94.390, heeft de Hoge Raad bepaald dat in het geval de Rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan inzake de toelaatbaarheid van de uitlevering en de daarbij verzochte overdracht van inbeslaggenomen zaken, tegen de inbeslagneming daarvan niet meer kan worden opgekomen langs de weg van art. 552a Sv, maar enkel door aanwending van het tegen de uitspraak, waarbij de overdracht is bevolen, openstaande rechtsmiddel.(2) Aantekening daarbij verdient dat het in die zaak de opgeëiste persoon/beslagene was die een klaagschrift over die inbeslagname had ingediend. Voor hem stond er een rechtsmiddel open tegen de uitspraak van de Rechtbank omtrent de uitlevering en afgifte van het inbeslaggenomene. 15. In de onderhavige zaak betreft het echter de zus van de opgeëiste persoon. Haar staat geen rechtsmiddel ter beschikking tegen de uitspraak van de Rechtbank waarbij naast de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van haar broer tevens de afgifte van het inbeslaggenomen geld werd bevolen. 16. In zijn uitspraak van 31 augustus 1982 (NJ 1983, 218) wijst de Hoge Raad (in rechtsoverweging 5.3) op het volgende: "In de art. 46 en 47 Uitleveringswet wordt een afgeronde regeling gegeven voor inbeslagneming van voorwerpen op verzoek van de bevoegde buitenlandse autoriteiten en de afgifte daarvan, ook tegen de wil van belanghebbende in, onder de voorwaarden als vermeld in art. 47, waarbij ten behoeve van en ter bescherming van rechten van belanghebbenden bepaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn verklaard." 17. Het betreft hier de artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552c tot en met 552e Sv. 18. Klaagster heeft een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend. Op het moment dat het klaagsters klaagschrift werd behandeld door de Rechtbank (22 augustus 2002) was de uitspraak omtrent de uitlevering nog niet onherroepelijk. De Rechtbank had derhalve het klaagschrift kunnen behandelen. De Rechtbank is echter niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het klaagschrift, omdat zij meende daartoe niet bevoegd te zijn. 19. Inmiddels is de uitspraak omtrent de uitlevering echter onherroepelijk geworden. En daarmee ligt er tevens een onherroepelijke uitspraak over de afgifte van het inbeslaggenomen geld. Een hernieuwde, althans inhoudelijke, behandeling van het klaagschrift door de Rechtbank kan daarin geen verandering meer brengen (vgl. HR 28 mei 2002, zaaknr: 00165/01 B, LJN: AE1184 en HR 28 mei 2002, zaaknr: 00166/01 B, LJN:AE1186). 20. In dat licht is het terugsturen van het klaagschrift naar de Rechtbank dan ook zonder zin. De Rechtbank kan immers niet anders dan het ongegrond verklaren.(3) Een eventuele gegrondverklaring van het klaagschrift laat namelijk onverlet dat met het onherroepelijke bevel tot afgifte van het geld tevens vaststaat dat het geld aan de Duitse autoriteiten mocht worden afgegeven (vgl. HR 12 juni 1985, NJ 1985, 175). 21. Hoewel ik mij realiseer dat klaagster door de foutieve beoordeling van de Rechtbank van haar bevoegdheid ter zake nu verstoken blijft van een behandeling van haar klaagschrift, vermag ik niet in te zien hoe de Rechtbank, na terugzending van het klaagschrift aan haar, tot een andere beslissing zou kunnen komen dan ongegrondverklaring van het klaagschrift. 22. Hoewel bij gebreke van een cassatieberoep de Hoge Raad in dezen eigenlijk geen uitspraak kan doen, anders dan zich onbevoegd te verklaren om van het klaagschrift kennis te nemen met bepaling dat het klaagschrift naar de Rechtbank zal worden gestuurd, lijkt het mij toch goed dat de zaak, gelet op de onvermijdelijkheid van de uitkomst, hier tot een, in ieder geval wat betreft de procedure ex art. 552a Sv, einde komt. 23. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en het klaagschrift ongegrond zal verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. 1 En hoewel de Hoge Raad als feitenrechter kan optreden in een uitleveringszaak, trad hij in de aan deze zaak ten grondslag liggende uitlevering op als cassatierechter. 2 Zie ook Sjöcrona/Orie, Internationaal strafrecht, 3e druk, p. 143/144. 3 Zie ook Swart, Nederlands uitleveringsrecht, p. 545.


Uitspraak

2 september 2003 Strafkamer nr. 01914/02 B SCR/KD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het door de Rechtbank te Haarlem bij beschikking van 29 augustus 2002, nummer RK 02/474, naar de Hoge Raad verwezen klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [klaagster], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]. 1. De beschikking De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van het door klaagster ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van het in bovenvermelde beschikking omschreven geldbedrag en het klaagschrift doorgezonden naar de Hoge Raad, zijnde het wel bevoegde gerecht. 2. Verloop van het geding 2.1. (i) Op 8 juli 2002 heeft de Rechtbank een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering ter strafvervolging van [de opgeëiste persoon] behandeld waarbij de Officier van Justitie, blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal, tevens heeft gevorderd dat de onder de opgeëiste persoon in beslag genomen goederen aan de Duitse autoriteiten zullen worden overgedragen; (ii) op 19 juli 2002 heeft de klaagster een klaagschrift ingediend dat betrekking heeft op een onder [de opgeëiste persoon] inbeslaggenomen geldbedrag ter grootte van € 38.275,-; (iii) op 22 juli 2002 heeft de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaard en daarbij beslist dat de onder de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding inbeslaggenomen goederen - te weten een geldbedrag van € 38.275,- - aan de Bondsrepubliek Duitsland zullen worden overdragen; (iv) op 22 juli 2002 heeft de opgeëiste persoon beroep in cassatie ingesteld tegen de onder (iii) genoemde uitspraak; de Hoge Raad heeft dat cassatieberoep bij arrest van 12 november 2002, LJN AE8853, verworpen; (v) op 29 augustus 2002 heeft de Rechtbank te Haarlem zich onbevoegd verklaard van het klaagschrift kennis te nemen en bepaald dat het klaagschrift zal worden doorgezonden naar de Hoge Raad, als het bevoegde gerecht. 2.2. Namens de klaagster heeft mr. J.P.C. ten Wolde, advocaat te Haarlem, een geschrift ingediend. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en het klaagschrift ongegrond zal verklaren. 3. Beoordeling van de verwijzende beschikking 3.1. De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het klaagschrift en daartoe het volgende overwogen: "Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klaagster van: € 38.275,00, welk bedrag in beslag is genomen onder [de opgeëiste persoon]. Vast is komen te staan, dat [de opgeëiste persoon] op 15 mei 2002 is aangehouden ter fine van zijn uitlevering aan Duitsland. Daarbij is onder hem een geldbedrag van EUR 38.275,00 aangetroffen en inbeslaggenomen. Bij vonnis van 22 juli 2002 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Duitsland toelaatbaar geoordeeld en bepaald dat het inbeslaggenomen geld aan de Duitse autoriteiten dient te worden overgedragen. [De opgeëiste persoon] heeft tegen dit vonnis op 22 juli 2002 beroep in cassatie aangetekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet (meer) bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen. Weliswaar is het klaagschrift reeds op 19 juli 2002 - derhalve voor het ingestelde cassatieberoep - ingediend, doch met de behandeling daarvan was, gelet op de datum beschikking dagbepaling - 23 juli 2002 - nog geen aanvang gemaakt (HR 10 mei 1994/NJ 1994, 583). De rechtbank verklaart zich derhalve onbevoegd en bepaalt - in lijn met HR 23 november 1993/NJ 1994, 263 en 264) dat de griffier het klaagschrift zal doorzenden aan het wel bevoegde gerecht." 3.2. Art. 47 Uitleveringswet luidt, voorzover van belang, als volgt: "1. De rechtbank beslist bij haar uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering tevens over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in beslag genomen voorwerpen. Afgifte van die voorwerpen aan de autoriteiten van de verzoekende staat kan alleen worden bevolen voor het geval van inwilliging van het verzoek tot uitlevering. (...) 3. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552c tot en met 552e van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. In plaats van het volgens die bepalingen bevoegde gerecht treedt de rechtbank tot welke de in artikel 23, eerste lid, van deze wet bedoelde vordering is gericht, dan wel - zo die vordering niet is gedaan - de rechtbank van het arrondissement waarin de voorwerpen in beslag genomen zijn." 3.3. Gelet op het bepaalde in art. 47, derde lid, tweede volzin, Uitleveringswet, heeft de Rechtbank zich ten onrechte onbevoegd verklaard tot kennisneming van het klaagschrift. 3.4. De uitspraak van de Rechtbank van 22 juli 2002, waarbij onder meer is beslist dat de bij diens aanhouding onder [de opgeëiste persoon] inbeslaggenomen goederen aan de Bondsrepubliek Duitsland zullen worden overdragen, is, met de verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep, onherroepelijk geworden. Nu aldus reeds onherroepelijk is beslist ten aanzien van de goederen waarop het klaagschrift betrekking heeft, kan de Rechtbank, na terugwijzing, niet anders doen dan klaagster in haar beklag niet-ontvankelijk verklaren. Om redenen van doelmatigheid zal de Hoge Raad zelf de zaak afdoen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 september 2003.