
Jurisprudentie
AF8602
Datum uitspraak2003-05-14
Datum gepubliceerd2003-05-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200204368/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-05-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200204368/1
Statusgepubliceerd
Uitspraak
200204368/1.
Datum uitspraak: 14 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting “Stichting Algemeen Beheer en Bestuur Kinderopvang”, h.o.d.n. Stichting Vill'ABB, gevestigd te Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 juli 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan appellante op straffe van een dwangsom gelast om ten behoeve van de vestiging aan de Stationsweg 170 te Den Haag vóór 27 februari 2001 het aantal aanwezige kinderen in overeenstemming te brengen met het aantal aanwezige functionarissen.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 juli 2002, verzonden op 17 juli 2002, heeft de rechtbank te ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. A.M. Christiaans, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank is appellante terecht niet gevolgd in haar betoog dat de last onjuist is geformuleerd. Het college is, door aansluiting te zoeken bij het aantal aanwezige kinderen en de last daarop af te stemmen, niet buiten de grenzen van de Verordening op de kindercentra 1995 (hierna: de Verordening) getreden.
2.2. Voorzover appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aanvaard dat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 13 van de Verordening, door herhaaldelijk te weinig functionarissen in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen aanwezig te hebben, faalt dat betoog. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 14 mei 2003, no. 200204372/1, welke is aangehecht.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003
91-426.

