Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF8861

Datum uitspraak2003-04-22
Datum gepubliceerd2003-05-19
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersBK-01/02442
Statusgepubliceerd


Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE achtste enkelvoudige belastingkamer 22 april 2003 nummer BK-01/02442 UITSPRAAK op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, (thans: Q) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995. 1. Aanslag en bezwaar 1.1 Met dagtekening 31 december 1998 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 opgelegd naar een vastgesteld stipinkomen van ƒ 186.056, en na een toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve, een belastbaar inkomen van ƒ 166.572. 1.2 Na tegen deze aanslag door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd naar een nader vastgesteld stipinkomen van ƒ 165.662 en een nader vastgesteld belastbaar inkomen van ƒ 146.178. 2. Loop van het geding 2.1 Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 27,23. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2 Het eerste onderzoek ter zitting van de zaak heeft plaats-gehad ter zitting van het Gerechtshof van 27 augustus 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt. 2.3 Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Een nadere zitting van het Hof heeft plaatsgehad op 11 maart 2003. Ook aldaar waren beide partijen aanwezig. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1 Belanghebbende is advocaat met specialisatie belastingrecht en hij houdt kantoor te R. 3.2 Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen (vóór toevoeging aan de oudedagsreserve) van ƒ 78.759. Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft de Inspecteur bij brief van 15 oktober 1998 een aantal vragen gesteld met betrekking tot het privé-gebruik auto, het onderhanden werk, verzekeringsuitkeringen en rente-inkomsten. Voorts heeft de Inspecteur bij die gelegenheid aan belanghebbende verzocht een specificatie te verstrekken van diverse kosten. Op deze brief heeft belanghebbende niet gereageerd. Na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn heeft de Inspecteur hem bij brief van 19 november 1998 een herinnering gezonden en erop gewezen dat het niet-nakomen van de verplichting tot het verstrekken van de gevraagde gegevens en inlichtingen een verzwaring van de bewijslast tot gevolg heeft. Toen ook een reactie op die brief uitbleef heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag meerdere correcties op het aangegeven inkomen aangebracht. Naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift en de daarbij verstrekte gegevens heeft de Inspecteur bij brief van 1 juni 2001 aangegeven welke correcties hij voornemens was te handhaven en heeft hij belanghebbende verzocht met betrekking tot die posten voor 21 juni 2001 nadere bewijsstukken en gegevens te verstrekken. Na uitblijven van een reactie heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 26 juni 2001 nog een termijn van twee weken gegund en daarbij nogmaals gewezen op onder meer de verzwaring van de bewijslast. Ook op deze brief heeft belanghebbende niet gereageerd. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur vervolgens slechts rekening gehouden met de wel verstrekte gegevens. 3.3 De bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde correcties op het aangegeven inkomen zijn de navolgende: a. telfout -ƒ 1.787 b. minder griffierechten ƒ 403 c. minder aftrek schoonmaakkosten ƒ 235 d. minder aftrek verhuiskosten ƒ 51 e. geen aftrek kosten huishouden ƒ 325 f. minder kosten vakliteratuur ƒ 1.296 g. minder onkostenforfait ƒ 3.600 h. geen aftrek overige kosten ƒ 900 i. geen aftrek onderhoud ƒ 475 j. geen afschrijvingskosten ƒ 30.310 h. minder investeringsaftrek ƒ 3.727 i. privé-gebruik auto ƒ 12.630 j. correctie onderhanden werk ƒ 32.613 k. genoten rente (winst) ƒ 2.125 4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1 De in 3.3 vermelde correcties zijn alle in geschil, behoudens die welke zijn genoemd onder a en k. Voorts dient, naar belanghebbende stelt en de Inspecteur bestrijdt, rekening te worden gehouden met reeds in een eerder jaar verantwoord onderhanden werk tot een bedrag van ƒ 14.400. 4.2 Belanghebbendes grief houdt in dat hij tijdens de bezwaarfase niet is uitgenodigd voor een hoorzitting. Voorts maakt hij er bezwaar tegen dat de Inspecteur overlegging van zijn kantooragenda heeft verlangd met het oog op de controle van de privé-kilometers. Voorts beroept hij zich op dit punt op het gelijkheidsbeginsel omdat in een ander geval de weigering van een advocaat zijn agenda over te leggen is gehonoreerd. Het onderhanden werk is tot een bedrag van ƒ 14.400 reeds in eerder jaar in aanmerking genomen en dienen naar zijn mening de overige in geschil zijnde kosten in aftrek te komen. 4.3 Het standpunt van de Inspecteur is dat belanghebbende in de brief waarin de ontvangst van het bezwaarschrift is bevestigd, aan belanghebbende is meegedeeld dat hij kan verzoeken om te worden gehoord. Het valt aan belanghebbende te verwijten dat geen behoorlijk overleg heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de post onderhanden werk is het aan belanghebbende te bewijzen dat deze correctie onjuist is. Betreffende het autokostenforfait komt aan belanghebbende geen beroep toe op zijn geheimhoudingsplicht, maar kan hij ook op andere wijze de omvang van het privé-gebruik laten blijken. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu belanghebbende niet heeft meegedeeld aan welke advocaat zou zijn toegestaan zijn kantooragenda niet te overleggen. Ook de overige correcties dienen in stand te blijven. Hoogstens zouden als kosten vakliteratuur de kosten van Het Financiëele Dagblad in aftrek kunnen komen. 5. Conclusies van partijen 5.1 De conclusie van belanghebbende is, naar het Hof uit zijn stellingen afleidt, dat het belastbare inkomen (vóór toevoeging aan de oudedagsreserve) dient te worden vastgesteld op ƒ 62.572 (aangegeven belastbare inkomen ƒ 78.759 minus telfout ƒ 1.787 minus onderhanden werk ƒ 14.400). 5.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd primair dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard en refereert subsidiair met betrekking tot de aan het slot van 4.3 bedoelde kosten aan het oordeel van het Hof. 6. Overwegingen omtrent het geschil 6.1 Met betrekking tot de verzwaring van de bewijslast Belanghebbende heeft in de periode na het indienen van de aangifte in het geheel niet en in de bezwaarfase volstrekt onvoldoende voldaan aan de in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) neergelegde verplichting tot het verstrekken van de door de Inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen. Deze gegevens en inlichtingen waren van zodanige aard dat deze voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende van belang konden zijn. Zulks heeft tot gevolg dat ingevolge artikel 29, eerste lid, van de AWR het beroep dient te worden afgewezen, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak onjuist is. De omstandigheid dat belanghebbende in de bezwaarfase gedeeltelijk en in de beroepsfase, na door het Hof na de eerste zitting daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, alsnog nadere gegevens heeft verstrekt, leidt er niet toe dat de verzwaring van de bewijslast wordt opgeheven. 6.2 Met betrekking tot de bestreden correcties 6.2.1 Griffierechten en schoonmaakkosten Met betrekking tot deze kosten heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat deze kosten zijn gemaakt. 6.2.2 Verhuiskosten In de briefwisseling na de zitting van 27 augustus 2002 heeft de Inspecteur verklaard alsnog een betaling van ƒ 400 ter zake van verhuiskosten te aanvaarden. 6.2.3 Kosten huishouden De Inspecteur heeft verklaard naar aanleiding van de door belanghebbende na de schorsing van het onderzoek ter zitting verstrekte gegevens deze post te aanvaarden. Het Hof sluit zich hierbij aan, zodat ter zake een bedrag van ƒ 325 in aftrek dient te komen. 6.2.4 Kosten vakliteratuur Naar de Inspecteur heeft verklaard, is thans niet meer in geschil een bedrag van ƒ 1.216, zodat de rechtsstrijd is beperkt tot een bedrag aan kosten van vakliteratuur van (ƒ 1.296 minus ƒ 1.216 is) ƒ 80. Alhoewel het Hof van oordeel is dat bij voorbeeld Het Financiëele Dagblad voor een advocaat en belastingad-viseur, die zijn cliënten ook over financiële zaken adviseert, in beginsel tot vakliteratuur zou kunnen worden gerekend, aangezien dit blad, naar het Hof aannemelijk voorkomt, door de beroepsgroep algemeen wordt erkend als voor die beroepsgroep specifiek van belang zijnde literatuur, kunnen de daarop betrekking hebbende kosten in het onderhavige geval niet in aftrek komen nu belanghebbende niet heeft bewezen dat aan deze voorwaarde is voldaan. Op grond hiervan kan slechts in aftrek komen de niet meer in geschil zijnde kosten ten bedrage van ƒ 1.216. 6.2.5 Onkostenforfait en overige kosten Ter zitting van het Hof van 9 maart 2002 in de procedure inkomstenbelasting van belanghebbende voor het jaar 1994 (kenmerk Hof BK-99/00715) zijn partijen het eens geworden dat een algemene onkostenaftrek (in de betreffende uitspraak aangeduid als "representatiekosten") ten bedrage van ƒ 2.400 toelaatbaar is. De door partijen bereikte overeenkomst op dit punt geldt thans nog steeds en het Hof legt deze overeenkomst aldus uit dat genoemd bedrag zonder enige korting wegens het gemengde karakter van sommige kostensoorten in aftrek komt. Ter zake moet derhalve alsnog een bedrag van ƒ 2.400 in aanmerking worden genomen. Voor enige aftrek voor overige kosten is dan geen plaats. 6.2.6 Kosten onderhoud Belanghebbende heeft deze correctie niet gemotiveerd bestreden, zodat deze in stand blijft. 6.2.7 Afschrijvingskosten Naar de Inspecteur aan de hand van de alsnog door belanghebbende verstrekte gegevens heeft verklaard, kan als afschrijving op bedrijfsmiddelen een bedrag van ƒ 26.774 in aanmerking worden genomen, waarvan betrekking heeft op de auto ƒ 12.000, op investeringen vóór 1995 ƒ 9.152 en op investeringen in het jaar 1995 ƒ 5.622. In verband met hetgeen hierna in 6.2.8 met betrekking tot de aanschafkosten van kantoormeubilair wordt overwogen, dient uit de afschrijvingen te worden geëlimineerd de op dit meubilair betrekking hebbende afschrijving van ƒ 717. De afschrijvingskosten worden derhalve ƒ 26.057. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij niet bewezen dat de afschrijvingen op een hoger bedrag moeten worden gesteld. 6.2.8 Investeringsaftrek Op grond van de gegevens die belanghebbende na de eerste zitting op 27 augustus 2002 heeft verstrekt, heeft de Inspecteur verklaard alsnog in te stemmen met investeringsaftrek tot een bedrag van ƒ 1.502. Ter zitting van 11 maart 2003 heeft belanghebbende verklaard in te stemmen met het standpunt van de Inspecteur dat de aanschaf van verschillende stukken bureaumeubilair niet kan worden aangemerkt als een investering in een complex van bedrijfsmiddelen zodat, voor zover deze aanschaffingen een bedrag van ƒ 1.000 niet te boven gaan, geen recht op investeringsaftrek bestaat. De Inspecteur heeft daarop verklaard ermee in te stemmen dat de betreffende aanschaffingen in het geheel in het onderhavige jaar ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Het Hof zal partijen volgen in hun eenstemmig oordeel op dit punt, aangezien het Hof deze standpunten van partijen rechtens juist acht. Het Hof leidt uit de door belanghebbende na de eerste zitting overgelegde afschrijvingsstaten af dat met betrekking tot deze aanschaffingen in het onderhavige jaar geen afschrijvingen hebben plaatsgevonden. Bijgevolg dient een bedrag van ƒ 7.153 als kosten in aanmerking te worden genomen. Voorts moet alsnog, zoals hierboven vermeld, voor een bedrag van ƒ 1.502 aan investeringsaftrek worden verleend. 6.2.9 Privé-gebruik auto Ingevolge artikel 42, lid 2, van de Wet worden bij het bepalen van de winst uit onderneming de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste twintig percent van de catalogusprijs van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. Deze bepaling blijft krachtens het bepaalde in het vijfde lid van genoemd artikel buiten toepassing, indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1.000 kilometers voor privédoeleinden wordt gebruikt. Op grond van deze bepaling dient belanghebbende overtuigend aan te tonen dat de auto in het onderhavige jaar minder dan 1.000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De omstandigheid dat belanghebbende er in verband met zijn geheimhoudingsplicht bezwaar tegen heeft zijn agenda aan de Inspecteur ter inzage te verstrekken, ontslaat hem niet van de verplichting dit bewijs te leveren (artikel 51 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Voorts kan belanghebbende bedoeld bewijs ook op andere wijze leveren, zoals door middel van een kilometeradministratie. Belanghebbende heeft niet aan deze bewijsplicht voldaan. Nu de omvang van de door de Inspecteur toegepaste correctie niet is bestreden, dient deze correctie in stand te blijven. 6.2.10 Onderhanden werk Het Hof acht geloofwaardig de stelling van de Inspecteur dat tijdens de zitting van 16 december 1999 in de procedure inzake de inkomstenbelasting 1993 van belanghebbende is overeengekomen dat in dat jaar een post onderhanden werk tot een bedrag van ƒ 14.000 in aanmerking wordt genomen en dat bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting/premieheffing 1995 deze post nader zou worden onderzocht. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd is onvoldoende om bewezen te achten dat in de omzet van het jaar 1995 posten zijn begrepen die ook al zijn verwerkt in de omzet van het jaar 1993, zodat de door de Inspecteur aangebrachte correctie in stand dient te blijven. 6.3 Met betrekking tot het formele bezwaar Aangaande de klacht van belanghebbende dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase overweegt het Hof dat in de gegeven omstandigheden voor de Inspecteur geen aanleiding bestond belanghebbende uit te nodigen voor een hoorgesprek, zeker niet nu hij daar niet om heeft verzocht. Voorts is belanghebbende in de beroepsfase in ruime mate in de gelegenheid gesteld zijn standpunten mondeling naar voren te brengen. Zijn klacht faalt derhalve. Hetzelfde geldt voor zijn overige klachten omtrent het handelen van de Inspecteur, aangezien belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan dient te worden geoordeeld dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. 6.4 Conclusie Op grond van al het vorenoverwogene dient het belastbare inko-men (vóór toevoeging aan de oudedagsreserve) te worden berekend als volgt: nader vastgesteld belastbaar inkomen (vóór toevoeging) ƒ 165.662 minus verhuiskosten ad ƒ 400 minus kosten huishouden ad ƒ 325 minus kosten vakliteratuur ad ƒ 1.216 minus onkosten ad ƒ 2.400 minus afschrijvingskosten ad ƒ 26.057 minus aanschaffingskosten kantoormeubilair ad ƒ 7.153 minus investeringsaftrek ad ƒ 1.502, neerkomende op ƒ 126.609. 7. Proceskosten en griffierecht 7.1 Het Hof acht in het onderhavige geval geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien het aan belanghebbende kan worden verweten dat de Inspecteur de correcties op de aangegeven winst heeft aangebracht en na bezwaar heeft gehandhaafd. Indien belanghebbende tijdig de verzochte gegevens en inlichtingen had verstekt, dan zou deze procedure kunnen zijn voorkomen. 7.2 Wel dient de Inspecteur op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te vergoeden. 8. Beslissing Het Gerechtshof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak waarvan beroep; - vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 126.609 vóór toevoeging aan de oudedagsreserve, en - gelast aan de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 27,23. Deze uitspraak is vastgesteld op 22 april 2003 door mr. Savelbergh. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. De Fouw. (De Fouw) (Savelbergh) Aangetekend aan partijen verzonden: Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uit-spraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - de gronden van het beroep in cassatie. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.