Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF9120

Datum uitspraak2003-04-16
Datum gepubliceerd2003-05-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 03/00126
Statusgepubliceerd


Uitspraak

WAHV 03/00126 16 april 2003 CJIB 79051132778 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Breda van 19 december 2002 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 86,- opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging zou zijn verricht op 6 maart 2002 in de gemeente Drimmelen (registercontrole). 3.2. Niet in geschil is dat het keuringsbewijs dat voor het betrokken voertuig was afgegeven op voormelde datum zijn geldigheid had verloren. 3.3. De betrokkene stelt zich echter op het standpunt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Hiertoe voert hij - kort samengevat - aan, dat het betrokken voertuig sinds het overlijden van betrokkenes schoonvader, die de vorige kentekenhouder was, zich in de garage bevond, dat de auto de garage niet uit is geweest en dat derhalve niet met de auto over de weg is gereden of dat deze op de weg heeft gestaan. De betrokkene wijst in dit verband erop, dat art. 72 WVW 1994 is opgenomen in hoofdstuk V van die wet en dat dit hoofdstuk luidt "Gebruik van voertuigen op de weg". Voorts heeft de betrokkene gewezen op art. 71 WVW 1994 waaruit ondubbelzinnig zou blijken, dat de periodieke keuringsplicht in dat licht (gebruik voertuigen op de weg) geïnterpreteerd moet worden. 3.4. De onderhavige gedraging is gebaseerd op art. 72, tweede lid onder b, Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Art. 72 WVW 1994, voor zover hier van belang, luidt als volgt: 1. Voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven. 2. Het keuringsbewijs dient: a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering, b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en c. behoorlijk leesbaar te zijn. 3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk: a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder. 3.5. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1990-1991, 22 030, nr. 3, blz. 113) houdt onder meer in: "Het derde lid (ontleend aan art. 9d van de Wegenverkeerswet) geeft aan wie aansprakelijk is voor handelen in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid. In de eerste plaats is dat uiteraard de eigenaar of houder van het voertuig. Deze moet er, ongeacht of het voertuig op de weg wordt gebruikt, zorg voor dragen dat voor het voertuig een keuringsbewijs is afgegeven". 3.6. In tegenstelling tot hetgeen de betrokkene ingang wil doen vinden, is de rubricering van de wetsbepaling niet dwingend voor de uitleg ervan ("rubrica non est lex"), hetgeen zeker geldt in een geval als het onderhavige, waar de bewoordingen van de wet en de visie van de wetgever blijkens de memorie van toelichting duidelijk zijn. 3.7. Met betrekking tot schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs is art. 67, eerste lid, WVW 1994 van toepassing. Dit luidt als volgt: 1. Indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar of houder van dat voertuig, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, de geldigheid van het kentekenbewijs. 3.8. Uit art. 72 WVW 1994 en de Memorie van Toelichting zoals weergegeven onder r.o. 3.4. en 3.5. blijkt dat de stelling van de betrokkene dat het motorrijtuig ten tijde van de gedraging niet aan het verkeer deelnam omdat dit zich ten tijde van de gedraging in de garage stond, niet kan leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. 3.9. Uit art. 67, eerste lid, WVW 1994 blijkt bovendien dat de betrokkene als houder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de geldigheid van het kentekenbewijs te schorsen. De gevolgen van het feit dat de betrokkene de geldigheid van het kentekenbewijs niet heeft laten schorsen komen voor zijn risico en rekening. 3.10. Gelet op het vorenstaande dient de beslissing van de kantonrechter te worden bevestigd. 4. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.