Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF9377

Datum uitspraak2003-05-06
Datum gepubliceerd2003-06-03
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersBK-02/02286
Statusgepubliceerd


Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE achtste enkelvoudige belastingkamer 6 mei 2003 nummer BK-02/02286 PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren te P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 22 april 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen A namens de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, verzonden op 7 maart 2003 aan belanghebbende op het adres a-straat 136 te Z, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens een door de griffier van TPG Post ontvangen retourkaart is de vorenbedoelde brief op 10 maart 2003 aan belanghebbende op het voormelde adres uitgereikt. Beslissing Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond. Gronden 1. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 heeft belanghebbende een te verrekenen verlies van ƒ 8.235 geclaimd, bestaande uit negatief inkomen over het jaar 1998. In een brief van 13 april 2001 aan belanghebbende heeft de Inspecteur aangegeven dat het verlies over 1998 niet kan worden verrekend met het jaar 1999, maar dat verrekening dient plaats te vinden met het jaar 1995. Bij de aanslagregeling is een correctie voor het te verrekenen verlies aangebracht. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 28.829. 2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur de vorenvermelde correctie terecht heeft aangebracht, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. 3. Belanghebbende heeft - samengevat - het volgende gesteld. De echtgenoot van belanghebbende is in 1998 overleden. Zij heeft op haar inkomen in het jaar 1998 een post buitengewone lasten ter zake van ziekte en overlijden van haar echtgenoot in mindering gebracht, hetgeen leidde tot een negatief inkomen van ƒ 8.235. De echtgenoot van belanghebbende is altijd alleenverdiener geweest totdat belanghebbende en haar echtgenoot als gevolg van zijn ontslag wegens faillissement waren aangewezen op een uitkering. Door de gemeente Z is (mede) aan belanghebbende in de jaren 1995, 1996 en 1997 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IAOW) verstrekt. Belanghebbende wenst het verlies over 1998 verrekenen met inkomen van het jaar 1999. Zij stelt dat ze door de weigering van deze carry forward - omdat ze in voorgaande jaren inkomsten in de vorm van een IOAW-uitkering heeft genoten - wordt gediscrimineerd ten opzichte van weduwen die geen eigen inkomsten hebben genoten. 4. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij heeft gesteld dat op grond van artikel 51 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) de verliesverrekening dient plaats te vinden met het jaar 1995 en belanghebbende dienaangaande geen keuzevrijheid heeft. 5. Ingevolge artikel 51, lid 2, van de Wet wordt een verlies verrekend met de inkomens van de drie voorafgaande en de acht volgende kalenderjaren. Ingevolge het zevende lid van artikel 51 van de Wet geschiedt verrekening in de volgorde waarin verliezen zijn ontstaan en inkomens zijn genoten. Hieruit volgt dat de volgorde van verrekening dwingend is voorgeschreven. Naar het oordeel van het Hof stelt de Inspecteur zich gelet op het vorenoverwogene terecht op het standpunt dat het verlies uit het jaar 1998 niet kan worden verrekend met inkomen van het jaar 1999, omdat belanghebbende in 1995 inkomen heeft genoten. Voor dat jaar heeft zij dan ook een beschikking ontvangen waarbij het verlies over 1998 is teruggewenteld. 6. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het Hof het volgende. Weduwen met een eigen inkomen in de drie voorafgaande kalenderjaren verkeren feitelijk en rechtens niet in een zelfde positie als weduwen zonder een eigen inkomen, zodat hier niet sprake is gelijke gevallen. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve. 7. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep ongegrond is. 8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze uitspraak is vastgesteld op 6 mei 2003 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Bergman. (Bergman) (Savelbergh) aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.