
Jurisprudentie
AF9489
Datum uitspraak2003-06-04
Datum gepubliceerd2003-06-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200205330/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-06-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200205330/1
Statusgepubliceerd
Uitspraak
200205330/1.
Datum uitspraak: 4 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 10 september 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van Borsele aan de gemeente vergunning verleend voor het kappen, dan wel rooien, van tien essen aan de Everingseweg te Oudelande.
Bij besluit van 15 november 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 28 november 2002 heeft het college van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B.M. Visser, en het college, vertegenwoordigd door J.H.A. Uitterhoeve en J. Krijger, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De vergunning is krachtens artikel 4.5.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Borsele verleend in het kader van onderhoud van de bomenrij aan de Everingseweg te Oudelande.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belanghebbende bij de verleende vergunning is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.3. Gebleken is dat appellant uitsluitend vanaf de eerste etage van zijn woning en vanaf zijn terras gedeeltelijk zicht heeft op vijf van de tien bomen, waarop de vergunning betrekking heeft. Tussen de woning en de bomen bevindt zich tevens bebouwing. De afstand tussen de woning en de bomen hemelsbreed bedraagt voorts tenminste 130 meter.
2.4. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank appellant terecht en op goede gronden niet als belanghebbende bij die vergunning aangemerkt. Dat appellant, naar hij stelt, behalve als buurtbewoner, als boomdeskundige ook beroepsmatig bij de bomen is betrokken, maakt dit niet anders.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Schortinghuis
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003
66-384.

