Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AH9772

Datum uitspraak2003-05-16
Datum gepubliceerd2003-07-11
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/24276
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / grondslag. Op 6 maart 2003 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in bewaring gesteld. Bewaring krachtens dit artikel duurt in geen geval langer dan vier weken en in geval van een voornemenprocedure niet langer dan zes weken. Bij beschikking van 9 april 2003 is de asielaanvraag afgewezen. Niet gebleken is dat deze beschikking aan de vreemdeling is uitgereikt, noch dat de grondslag van de bewaring uiterlijk op 10 april 2003 is gewijzigd in artikel 59, eerste lid, onder a Vw 2000. De rechtbank gaat er in rechte van uit dat geen omzetting heeft plaatsgevonden. De bewaring is derhalve met ingang van 10 april 2003 onrechtmatig en dient te worden opgeheven. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE ZITTINGHOUDENDE TE ’s-HERTOGENBOSCH sector bestuursrecht enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken UITSPRAAK Zaaknummer : AWB 03/24276 Datum uitspraak: 16 mei 2003 Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het geschil tussen: A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1986 en van Vietnamese nationaliteit, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling, en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, hierna te noemen: verweerder. Zitting: 15 mei 2003. De vreemdeling is niet verschenen, doch is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom. Verweerder is verschenen bij gemachtigde A. van Rheenen. I. PROCESVERLOOP Op 6 maart 2003 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 24 maart 2003 is het eerste beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard. Bij kennisgeving ex artikel 96 van de Vw 2000 van 22 april 2003, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming. Naar aanleiding van deze kennisgeving heeft verweerder op 23 april 2003 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd. De rechtbank heeft op 29 april 2003 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven. II. OVERWEGINGEN Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van de vreemdeling en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens gerechtvaardigd c.q. rechtmatig is. De rechtbank overweegt als volgt. De vreemdeling is op 6 maart 2003 op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid, onder b van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bewaring krachtens dit artikel duurt in geen geval langer dan vier en in geval van een voornemenprocedure niet langer dan zes weken. Verweerder heeft bij beschikking van 9 april 2003 de asielaanvraag afgewezen. Uit de gedingstukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat de beschikking aan de vreemdeling is uitgereikt en dat de grondslag van de bewaring uiterlijk op de dag na uitreiking van de beschikking, te weten 10 april 2003, is gewijzigd in artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw 2000. De rechtbank gaat er in rechte van uit dat geen omzetting van de bewaringsgrond heeft plaatsgevonden. De bewaring is derhalve met ingang van 10 april 2003 onrechtmatig en dient te worden opgeheven. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 322,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: * 1 punt voor het verschijnen ter zitting; * waarde per punt € 322,--; * wegingsfactor 1. Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De rechtbank, verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond. Aldus gedaan door mr. J.K.B. van Daalen als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier op 16 mei 2003. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden: 16 mei 2003