Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AH9892

Datum uitspraak2003-07-16
Datum gepubliceerd2003-07-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200206758/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 4 november 2002, kenmerk 2909, heeft verweerder geweigerd aan appellanten krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen voor het veranderen van een paarden- annex rundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 14 november 2002 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200206758/1. Datum uitspraak: 16 juli 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 4 november 2002, kenmerk 2909, heeft verweerder geweigerd aan appellanten krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen voor het veranderen van een paarden- annex rundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 14 november 2002 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2003. Bij brief van 5 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. P. Baas, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluiten van 7 februari 1978 en 22 januari 1986 zijn aan [appellant] onderscheidelijk een oprichtings- en een uitbreidingsvergunning verleend voor een kalvermesterij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag ziet op het uitbreiden van de kalvermesterij met – kort gezegd – een paardenhouderij. 2.2. Het geding spitst zich toe op de vraag of de kalvermesterij en de paardenhouderij moeten worden gezien als één inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. 2.3. Ingevolge die bepaling wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge het vierde lid van dat artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. 2.4. Gebleken is dat de kalvermesterij op het perceel met het kadastrale nummer […] is beëindigd, de tot de kalvermesterij behorende stallen zijn gesloopt en de grond en de bedrijfswoning zijn verkocht aan derden. Vervolgens hebben appellanten de aanvraag ingediend. Niet gebleken is dat appellanten ten aanzien van het perceel met het kadastrale nummer […] in enige vorm zeggenschap over het uitoefenen van activiteiten overeenkomstig de bij besluiten van 7 februari 1978 en 22 januari 1986 verleende vergunningen hebben behouden of verkregen. De nieuwe eigenaren van het perceel met het kadastrale nummer […] zijn niet voornemens op dit perceel dergelijke activiteiten te ontplooien. Ook is niet gebleken van technische, organisatorische of functionele bindingen. 2.5. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de kalvermesterij en de paardenhouderij niet kunnen worden gezien als tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties en dat tussen de kalvermesterij en de paardenhouderij geen onderling technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan. Dat, naar appellanten stellen, in het bestemmingsplan tussen beide percelen een verbinding is aangebracht kan daar, wat daar verder van zij, niet aan afdoen. 2.6. Het beroep is ongegrond. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Van Hardeveld Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003 154-314.