
Jurisprudentie
AH9954
Datum uitspraak2003-09-09
Datum gepubliceerd2003-10-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01499/02 H
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-10-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01499/02 H
Statusgepubliceerd
Indicatie
9 september 2003 Strafkamer nr. 01499/02 H DAT Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 4 januari 2002, nummer 01/501358-00, ingediend door mr. M.J.C. Zuurbier, advocaat te 's-Hertogenbosch, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd ...
Conclusie anoniem
Mr. Fokkens
Nr. 01499/02 H
Zitting 1 juli 2003
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Aanvrager van herziening is bij vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 4 januari 2002 bij verstek veroordeeld wegens overtreding van artikel 30 lid 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen tot twee weken hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. Namens aanvrager heeft mr. M.J.C. Zuurbier, advocaat te 's-Hertogenbosch, op 19 juni 2002 een herzieningsverzoek ingediend.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van oms
4. Omstandigheden als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv aangezien de auto, voorzien van het kenteken [AA-00-AA], op de bewezenverklaarde pleegdatum 23 augustus 2000 wél verzekerd was overeenkomstig de WAM, althans dat aanvrager op 26 april 2002 van zijn verzekeringsmaatschappij, te weten AEGON Schadeverzekering N.V., vernam dat hij gedurende de ten laste gelegde en bewezenverklaarde periode wel degelijk verzekerd was krachtens de WAM. Als bewijs is als bijlage bij de aanvrage een verklaring ingevolge artikel 34 WAM overgelegd van 26 april 2002 inhoudende "Ter voldoening aan het gestelde in artikel 34, lid 2, van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verklaart AEGON Schadeverzekering N.V. (...) dat van 30-06-2000 tot 10-09-2001 voor het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-AA] een verzekering van kracht was welke aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed, afgesloten onder polisnummer [...] en dat het CRWAM, voorzover noodzakelijk, is aangevuld dan wel gecorrigeerd".
5. Opvallend is echter dat aanvrager er zelf blijkbaar van uitging dat hij op 23 augustus 2000 niet verzekerd was. In het proces-verbaal opgemaakt naar aanleiding van de geconstateerde overtreding, proces-verbaal nr. 1-20102000-0139 A van 13 maart 2001 opgemaakt op ambtsbelofte door de verbalisant T. Meijering, verklaart aanvrager het volgende:
"Ik dacht dat deze auto verzekerd was op 23 augustus 2000. Achteraf kwam ik er achter dat deze auto niet verzekerd was omdat er tijdens mijn ziekte een nota betreffende de verzekeringspremie te laat voldaan is. Ik wacht bericht van Justitie af."
Ook in het bij de aanvrage tot herziening als bijlage overgelegde gratieverzoek wordt er van uit gegaan dat aanvrager niet verzekerd was. Daarin wordt immers aangevoerd:
"Verzoeker heeft door zijn drukke werkzaamheden verzuimd de aansprakelijkheidsverzekering voor bovengenoemde auto te betalen. Nadat verzoeker had vernomen dat hij in verzuim was met de betaling van de verzekeringspremie heeft hij er direct voor zorggedragen dat de verzekeringspremie vervolgens automatisch ook werd betaald."
Voorts bevindt zich tussen de stukken een brief van aanvrager van 31-01-2002 aan het arrondissementsparket 's-Hertogenbosch inhoudende onder meer:
"Ik heb omstreeks 23 aug 2000 in een van mijn auto's gereden echter door een administratieve fout van mij geen verzekering betaald. Om dit in het vervolg te voorkomen is mijn tussenpersoon nu gemachtigd om de bedragen maandelijks aut. af te schrijven. Door druk werk en ziekte (...) is de acceptgiro met de bijbehorende papieren verkeerd bij mij terecht gekomen en na een telefoon van mijn tussenpersoon heb ik de fout gelijk goedgemaakt."
6. Het voorgaande wordt ook gestaafd door de uitdraai van de RDW, gehecht aan eerdergenoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de auto van 30-06-2000 tot 10-08-2000 verzekerd was en vervolgens weer van 20-10-2000 tot 10-12-2000. Pas toen de premie voldaan was is de verzekering kennelijk weer gaan lopen.
7. Gelet op het bovenstaande heb ik nader onderzoek laten doen naar de gang van zaken rond de verzekering van het voertuig met kenteken [AA-00-AA] op 23 augustus 2000.
8. Dit nader onderzoek heeft geresulteerd in een schrijven van de Hoofdofficier van Justitie te 's-Hertogenbosch mr. R.W.M. Craemer. Uit dit schrijven blijkt dat de verzekeringsmaatschappij voornoemd voertuig op 10 augustus 2000 heeft afgemeld bij de RDW omdat de betalingstermijn van vier weken voor het betalen van de verplichte verzekeringspremie onverbruikt was verstreken. Vervolgens is het voertuig op 20 oktober 2000 weer aangemeld bij de RDW.
Op de pleegdatum 23 augustus 2002 was het voertuig derhalve niet verzekerd. Dit strookt ook met de hierboven onder 4 weergegeven informatie die aanvrager hier zelf over heeft verstrekt.
9. Dat de verzekeringsmaatschappij desalniettemin een art. 34 WAM-verklaring heeft afgegeven komt voort uit haar abusieve aanname dat er sprake was geweest van een foutieve incasso. Uit hetgeen de aanvrager hier zelf over heeft verklaard blijkt echter dat van een foutieve incasso geen sprake was, doch dat hij gewoon is vergeten de premie te voldoen. De art. 34 WAM-verklaring is derhalve ten onrechte afgegeven.
10. In het licht van het voorgaande kan de overgelegde artikel 34 WAM-verklaring niet het ernstig vermoeden doen ontstaan dat de Kantonrechter, indien hij met de inhoud daarvan bekend zou zijn geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv.
Uitspraak
9 september 2003
Strafkamer
nr. 01499/02 H
DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 4 januari 2002, nummer 01/501358-00, ingediend door mr. M.J.C. Zuurbier, advocaat te 's-Hertogenbosch, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 30 lid 2 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen", gepleegd op 23 augustus 2000, bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. Naar aanleiding van de aanvrage heeft de plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens nader onderzoek doen verrichten, waarvan de resultaten aan de advocaat van de aanvrager zijn medegedeeld. Daarop heeft de advocaat bij brief van 19 juni 2003 gereageerd.
2.3. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, aangezien uit de aan de aanvrage gehechte bescheiden moet worden afgeleid dat op 23 augustus 2000 voor het motorvoertuig met het kenteken [AA-00-AA] wel een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) van kracht was.
3. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Bij de aanvrage is gevoegd een verklaring van 26 april 2002 van AEGON Schadeverzekering N.V., welke verklaring inhoudt:
"Ter voldoening aan het gestelde in artikel 34, lid 2, van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verklaart
AEGON Schadeverzekering N.V.
Lange Marktstraat 11 te Leeuwarden
code CRWAM 015
hierbij dat van 30-06-2000 tot 10-09-2001 voor het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-AA] een verzekering van kracht was welke aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed, afgesloten onder polisnummer [...] en dat het CRWAM, voorzover noodzakelijk, is aangevuld dan wel gecorrigeerd."
4.2. Aan de inhoud van dit stuk, tot stand gekomen en afgegeven nadat de Kantonrechter vonnis had gewezen, valt een ernstig vermoeden te ontlenen, dat de Kantonrechter, ware hij daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. Blijkens het op verzoek van de plaatsvervangend Procureur-Generaal verrichte nadere onderzoek heeft de verzekeringsmaatschappij doen weten dat de aanvrager destijds in het geautomatiseerde systeem ten onrechte als "maatschappij-incasso" stond geregistreerd omdat hij de premie via een tussenpersoon voldeed en dat door deze onjuiste registratie ten onrechte werd vastgesteld dat destijds geen premie betaald zou zijn, zodat vorenbedoelde verklaring ingevolge art. 34, tweede lid, WAM volgens de verzekeringsmaatschappij terecht is afgegeven. Voorts verdient opmerking dat een dergelijke voldoening van de premie voor een WAM-verzekering via een tussenpersoon in het algemeen inhoudt dat de verzekerde de premie heeft voldaan op het moment dat de verzekeringsmaatschappij de tussenpersoon voor de premie heeft belast, ook indien de verzekerde zijnerzijds het bedrag van de premie (nog) niet heeft voldaan aan de tussenpersoon.
5. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
Beveelt voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 4 januari 2002;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 september 2003.

