Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AI0550

Datum uitspraak2003-07-22
Datum gepubliceerd2003-07-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200303699/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 16 april 2003, kenmerk DGL/03.U01036, heeft verweerder sub 1, toepassing gevend aan artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw) gelezen in samenhang met artikel 24 van deze wet, de aanwijzing van het luchtvaartterrein Hilversum gewijzigd alsmede de daarbijbehorende geluidszone vastgesteld (hierna: het A-besluit).


Uitspraak

200303699/1. Datum uitspraak: 22 juli 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de gemeenteraad van Wijdemeren, verzoeker, en 1. de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 2. de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 april 2003, kenmerk DGL/03.U01036, heeft verweerder sub 1, toepassing gevend aan artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw) gelezen in samenhang met artikel 24 van deze wet, de aanwijzing van het luchtvaartterrein Hilversum gewijzigd alsmede de daarbijbehorende geluidszone vastgesteld (hierna: het A-besluit). In samenhang hiermee heeft verweerder sub 2 bij besluit van dezelfde dag, kenmerk S 55, de gemeenteraden van Hilversum, Wijdemeren, Maarssen en De Bilt een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 26 van de Lvw gelezen in samenhang met artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: het RO-besluit). Tegen deze besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Bij brief van 11 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door W.P. Neef, wethouder, en bijgestaan door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. N.G.M.T. Arts en ir. drs. W.A. Smit, ambtenaren van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de Stichting Vliegveld Hilversum, vertegenwoordigd door [gemachtigden]. 2. Overwegingen 2.1. Verzoeker kan zich niet met de bestreden besluiten verenigen. Hij stelt dat de uitwerking van het bestemmingsplan “Ter Sype”, dat in woningbouw voorziet, is gelegen binnen de in het A-besluit opgenomen 47 bkl-zone en daardoor niet kan worden verwezenlijkt. Volgens verzoeker kan het luchtvaartterrein op een andere wijze worden ingericht, waardoor de geluidszone wijzigt en de nieuwbouwlocatie buiten de geluidszone valt. Voorts is de gemeenteraad verplicht binnen één jaar na dagtekening van het RO-besluit het bestemmingsplan te herzien en dient hij binnen zes weken na de bekendmaking van het RO-besluit aan te geven of planologische medewerking zal worden verleend. Gelet hierop heeft hij de Voorzitter gevraagd het A-besluit en het RO-besluit te schorsen. Ten aanzien van het A-besluit 2.2. De Voorzitter merkt op dat woningbouw alleen aanvaardbaar is in het gebied waarop de uitwerking van het bestemmingsplan “Ter Sype” ziet, indien een goed woon- en leefklimaat voor de voorziene woningen kan worden gegarandeerd. De ligging van het gebied binnen de in het A-besluit opgenomen 47 bkl-zone brengt mee, dat bij de bouw van nieuwe woningen dit goede woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd, aangezien artikel 7, eerste en tweede lid van het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart in samenhang bezien bepaalt dat 47 bkl de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is van geluidsgevoelige objecten die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend. Schorsing van het besluit waarbij de geluidszone is vastgesteld kan niet bewerkstelligen dat de geluidsbelasting in het gebied afneemt tot een aanvaardbaar niveau. De feitelijke geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de vliegbewegingen vanaf het vliegveld zal daardoor niet verminderen. Dit zal alleen het geval zijn, indien een ander banenstelsel voor het vliegveld Hilversum wordt opgelegd waarbij de geluidszone zodanig komt te liggen, dat het plangebied buiten de 47 bkl-contour valt. Een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt is te verstrekkend, aangezien het scheppen van die mogelijkheid ook niet nadien door een uitspraak van de Afdeling kan worden bewerkstelligd. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een spoedeisend belang. De Voorzitter ziet mitsdien, mede ook gelet op de belangen van de Stichting Vliegveld Hilversum bij zekerheid omtrent de beschikbare geluidsruimte, geen aanleiding het A-besluit te schorsen. 2.3. De Voorzitter merkt voorts op dat ter zitting is uiteengezet dat door verweerder sub 1 ten aanzien van de inrichting van het luchtvaartterrein bij gebrek aan bestuurlijke overeenstemming over alternatieven is gekozen voor handhaving van de bestaande situatie. Hij gaat er van uit dat verweerder sub 1 bij de heroverweging naar aanleiding van de ingekomen bezwaarschriften de keuze voor het banenstelsel zelfstandig dragend zal motiveren en zal afwegen tegen de andere varianten. Ten aanzien van het RO-besluit 2.4. Artikel 37, eerste, tweede en zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) luiden, voor zover van belang: “1. Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, de gemeenteraad verplichten, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien. 2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. […] 7. De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste […] lid, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien […] en dat in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede […] lid.” Artikel 38, eerste en tweede lid, van de WRO luiden, voor zover van belang: “1. Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na de bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 37, eerste […] lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het tweede […] lid, van dat artikel, besluit de gemeenteraad omtrent medewerking aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders maken dit besluit onverwijld bekend. 2. Indien de gemeenteraad a. de termijn genoemd in het eerste lid, voor het besluit omtrent medewerking overschrijdt, b. binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, besluit niet mee te werken aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan, of c. binnen de termijn van een jaar, genoemd in artikel 37, zevende lid, geen bestemmingsplan of herziening hiervan heeft vastgesteld in overeenstemming met de gegeven aanwijzingen, [kan] Onze Minister […] binnen een jaar na afloop van de onder a, b of c bedoelde termijn, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de gemeenteraad, op kosten van de gemeente overgaan tot die vaststelling of herziening.” Artikel 56b, tweede lid, van de WRO luidt, voor zover van belang: “In geval van samenloop van een aanwijzing ingevolge artikel 37 met een aanwijzing ingevolge artikel 26 van de Luchtvaartwet, […] begint de termijn van een jaar na afloop van de in artikel 38, tweede lid, onder a, b of c, bedoelde termijn voor Onze Minister […] te lopen met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing krachtens de Luchtvaartwet […] afloopt. Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van de aanwijzing ingevolge artikel 37 opgeschort totdat op het verzoek is beslist.” 2.5. De Voorzitter overweegt dat de termijn genoemd in artikel 38, eerste lid, van de WRO is verstreken zonder dat de gemeenteraad van Wijdemeren een beslissing heeft genomen omtrent het verlenen van planologische medewerking. Dit betekent dat ingevolge artikel 56b, tweede lid, van de WRO, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen een jaar na afloop van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing krachtens de Luchtvaartwet afloopt, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de gemeenteraad, op kosten van de gemeente over kan gaan tot die vaststelling of herziening. Deze termijn kan nog worden opgeschort indien gedurende de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan. Tot dat moment behoudt de gemeenteraad derhalve de bevoegdheid tot herziening van het bestemmingsplan “Ter Sype”, wanneer dat uiteindelijk noodzakelijk zou zijn. Gelet hierop is geen sprake van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het RO-besluit vereist. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. De Vette Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2003 196-410.