Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AI1622

Datum uitspraak2003-09-09
Datum gepubliceerd2003-09-09
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers19/830368-02
Statusgepubliceerd


Indicatie

Op 14 december 2002 heeft verdachte getracht brand te stichten in een woonboot. Toen hij op het punt stond de woonboot in brand te steken werd hij betrapt door een buurvrouw. De rechtbank is ervan overtuigd dat zij door haar optreden een ramp heeft voorkomen. De woonboot was geheel van hout opgetrokken en lag tussen twee andere woonboten in. Er is weinig verbeelding voor nodig om te begrijpen dat de gevolgen verschrikkelijk zouden zijn geweest.


Uitspraak

RECHTBANK ASSEN STRAFVONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats en -datum verdachte], thans verblijvende in het huis van bewaring te Veenhuizen. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 juni en 26 augustus 2003. De verdachte is telkens verschenen, ter terechtzitting van 18 juni 2003 bijgestaan door mr. P.H. Rappa, advocaat te Assen en ter terechtzitting van 26 augustus 2003 door mr. J. Brouwer, eveneens advocaat te Assen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. de Loor. De vordering houdt in: zes jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en toewijzing van de civiele vordering, tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel. 1. TENLASTELEGGING De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat hij op of omstreeks 14 december 2002 te De Groeve, althans in de gemeente Tynaarlo, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in en/of aan een (woon)boot gelegen in een water, genaamd de Oostermoersevaart en/of De Groeve, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen te duchten was, met dat opzet (via een raam, waarvan de ruit stuk was) in die (woon)boot en/of op/aan die (woon)boot een hoeveelheid benzine, althans een brandbare (vloei)stof heeft gegoten/gesprenkeld op/over een of meer in en/of op en/of aan die (woon)boot aanwezige brandbare voorwerpen en/of (vervolgens) een aansteker tevoorschijn heeft gehaald en/of heeft geprobeerd die aansteker in werking te stellen en/of die benzine/vloeistof met behulp van die aansteker tot ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die (woon)boot en/of voor een of meer andere/belendende (woon)boten en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in eerstgenoemde (woon)boot en/of in die andere/belendende (woon)bo(o)t(en) aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. BEWIJSMIDDELEN Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie. 3. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht door de inhoud van deze bewijsmiddelen, waarop de hierna te vermelden beslissing steunt, wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 14 december 2002 te De Groeve, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woonboot gelegen in een water, genaamd de Oostermoersevaart, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een of meer anderen te duchten was, met dat opzet via een raam, waarvan de ruit stuk was, in die woonboot een hoeveelheid benzine heeft gegoten op/over een of meer in die woonboot aanwezige brandbare voorwerpen en vervolgens een aansteker tevoorschijn heeft gehaald en heeft geprobeerd die aansteker in werking te stellen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woonboot en voor belendende (woon)boten en de daarin aanwezige inboedel, en levensgevaar voor een of meer in die belendende (woon)boten aanwezige personen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De raadsman van verdachte heeft onder meer aangevoerd dat verdachte tijdig tot het inzicht is gekomen dat hetgeen waar hij mee bezig was niet kon. Er is derhalve sprake van vrijwillige terugtred, aldus de raadsman, die, verwijzend naar HR 24 maart 1992, NJ 1992, 815, voorts betoogde dat eerst van een (strafbare) poging tot brandstichting sprake is indien alles voor het stichten van brand in gereedheid is gebracht én enig vuur is gemaakt. Van het maken van vuur is in de onderhavige zaak geen sprake geweest, zodat ook hierom geen veroordeling kan volgen en verdachte behoort te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, aldus mr. Brouwer. De rechtbank deelt de visie van de raadsman niet. De in de onderhavige zaak tenlastegelegde handelingen doen sterk denken aan het befaamde Eindhovense brandstichtingsarrest (NJ 1934, 450) waarin het "brandklaar" maken van een pand nog als voorbereiding werd bestempeld. In het licht van latere beslissingen van de Hoge Raad - waaronder het door de raadsman aangehaalde arrest - zou het geheel van tenlastegelegde handelingen - in het bijzonder het uitgieten van de benzine - kunnen worden aangemerkt als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van de brandstichting. De Hoge Raad beschouwde in genoemd arrest de omstandigheid dat de benzine al in het pand was uitgegoten als een onmisbaar bestanddeel van de tenlastelegging. In HR 14 december 1993, NJ 1994, 293 werd poging tot moord aangenomen in een geval waarin de verdachte zichzelf en degene die hij wilde vermoorden in een auto had opgesloten en die ander en het interieur van de auto met benzine had overgoten. Een pakje lucifers was door hem reeds ter hand genomen, maar niet bewezen was of hij ook een lucifer had aangestoken. Niettemin nam de Hoge Raad een strafbare poging aan. De rechtbank heeft de in de onderhavige zaak tenlastegelegde poging tot brandstichting dan ook bewezen geacht. De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. 4. KWALIFICATIE Het bewezene levert op: poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 157 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. 5. STRAFBAARHEID De rechtbank acht verdachte te dezer zake strafbaar, omdat geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht. 6. STRAFMOTIVERING Op 14 december 2002 heeft verdachte getracht brand te stichten in de woonboot van [naam slachtoffer], gelegen in de Oostermoersevaart te De Groeve. Hij heeft een ruitje van de woonboot ingeslagen en benzine in de boot gegoten. Toen hij op het punt stond de woonboot in brand te steken, werd hij betrapt door de buurvrouw van [naam slachtoffer]. De rechtbank is er van overtuigd dat zij door haar optreden een ramp heeft voorkomen. De woonboot was geheel van hout opgetrokken, was rondom voorzien van houten gangpaden en lag tussen twee andere woonboten in. Binnen luttele minuten zou de woonboot volledig in brand hebben gestaan en er is weinig verbeelding voor nodig om te begrijpen dat het vuur weldra zou zijn overgeslagen naar de aan de voor- en achterzijde van de woonboot gelegen woonboten. De gevolgen zouden verschrikkelijk zijn geweest. Dit gegeven dient in de aan verdachte op te leggen straf tot uitdrukking te worden gebracht. Anderzijds neemt de rechtbank in overweging dat het voornemen van verdachte niet is voltooid en dat de materiële schade voor [naam slachtoffer] beperkt is gebleven. In dit licht bezien acht de rechtbank de eis van de officier van justitie te fors. Zij zal volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur die recht doet aan de ernst van het feit. 7. BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij] De rechtbank acht de civiele vordering onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering. 8. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27 en 55 van het Wetboek van Strafrecht. 9. BESLISSING VAN DE RECHTBANK Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door verdachte is begaan. Stelt vast, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld. Verklaart verdachte deswege strafbaar. Veroordeelt verdachte te dier zake tot: een gevangenisstraf voor de tijd van achttien maanden. Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, en mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. H.L. Stuiver, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 9 september 2003.-