Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AM0354

Datum uitspraak2003-10-16
Datum gepubliceerd2003-10-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers01/025346.03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Brandstichting Islamitische school


Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Parketnummer: 01/025346-03 Uitspraakdatum: 16 oktober 2003 VERKORT VONNIS Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te (geboorteplaats) op [geboortedatum] 1985, wonende te (woonplaats), van [adres] thans verblijvende: P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 oktober 2003. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 september 2003. Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 15 juni 2003 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), toen aldaar opzettelijk door middel van (zogenaamde) molotov-cocktail(s) een (islamitische) school (gelegen aan Frankrijkstraat 79) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die school aanwezige goederen en/of inventaris te duchten was; (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht); De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 2 oktober 2003 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De geldigheid van de dagvaarding. De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen. De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. De bewezenverklaring. De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het feit heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen schriftelijk stuk. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De kwalificatie. Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. De strafbaarheid. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 47, 157 DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID De eis van de officier van justitie. Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, ook indien zulks een behandeling bij Novadic inhoudt. De op te leggen straf. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op: a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid ten bezware van verdachte: - de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Met name acht de rechtbank ernstig dat verdachte, blijkens zijn verklaring, het feit heeft begaan omdat hij een daad wilde stellen tegen buitenlanders. Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid: - verdachte werd terzake strafbare feiten niet eerder veroordeeld. De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarden houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van strafbare feiten tegengaan. DE UITSPRAAK Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. (artikel 157 en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht) Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. BESLISSING: Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Arrondissementaal Secretariaat van de Reclassering, Leeghwaterlaan 14 te 's-Hertogenbosch, ook indien zulks inhoudt het volgen van de delictpreventietraining, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht. Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht. Dit vonnis is gewezen door, mr. C.F.E. van Olden Smit, voorzitter, mr. M.H. Kobussen en mr. F. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier en is uitgesproken op 16 oktober 2003. De bewezenverklaring: Hij op 15 juni 2003 in de gemeente Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in een school, immers heeft de verdachte en/of mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van een aansteker/open vuur een zogenaamde molotovcoctail aangestoken en/of deze molotovcoctail in de school gegooid mede waardoor open vuur in de school is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die school aanwezige goederen en inventaris, te duchten was.