Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN8421

Datum uitspraak2003-10-08
Datum gepubliceerd2003-11-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 03/1044
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Op 25 juli 2003 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 juni 2003. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/824. Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar dat verzoeker had gemaakt tegen een besluit van verweerder van 11 maart 2002, waarbij de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in artikel 4 van de Wet personenvervoer 2000, is ingetrokken.


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken No. AWB 03/1044 8 oktober 2003 14914 Wet personenvervoer 2000 Vergunning taxivervoer Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van: A, h.o.d.n. Taxi A, te X, verzoeker, gemachtigde: mr. J.A.Th. Spoor, advocaat te Amsterdam, tegen de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder, gemachtigde: mr. W.E. van Haveren, werkzaam bij verweerders ministerie. 1. De procedure Op 25 juli 2003 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 juni 2003. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/824. Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar dat verzoeker had gemaakt tegen een besluit van verweerder van 11 maart 2002, waarbij de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in artikel 4 van de Wet personenvervoer 2000, is ingetrokken. Bij brief van 22 augustus 2003 heeft verzoeker de gronden van het beroep aangevuld. Op 22 augustus 2003 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat het besluit van verweerder van 17 juni 2003 wordt geschorst en dat verzoeker tot medio december 2003 de gelegenheid wordt geboden het vereiste diploma te behalen. Dit verzoek is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/1044. Op 10 september 2003 is ter griffie van het College van verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening, alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken, ontvangen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2003. Verzoeker in persoon, zijn gemachtigde en zijn procuratiehouder B zijn daarbij verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil 2.1 De Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wet) luidt - voorzover hier van belang - als volgt: "Artikel 4 (…) 2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning. (…) Artikel 6 (…) 2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken. (…) Artikel 9 1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. (…) Artikel 99 Het bestuursorgaan dat een vergunning heeft verleend, kan een vergunning volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels, wijzigen, schorsen of intrekken: a. indien is gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde; b. indien niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 9, eerste lid, bedoelde eisen, tenzij een ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is verleend. Artikel 103 Overtreding van artikel 4 is een misdrijf. Artikel 105 1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. (…)" De artikelen 26, 28, 29 en 125 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp2000) luiden - voorzover hier van belang - als volgt: "Artikel 26 1. De vervoerder die (…) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen. 2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen. 3. De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid. Artikel 28 1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd: a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of b. een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen. Artikel 29 1. Indien de vervoerder door overlijden, wettelijke of lichamelijke onbekwaamheid van degene die op grond van artikel 26 voldeed aan de eis van vakbekwaamheid in een onderneming, (…), niet langer aan deze eis voldoet, kan Onze Minister, te rekenen vanaf dit moment, de belanghebbende die het vervoer wenst voort te zetten, onverminderd het vereiste van een vergunning, op verzoek voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van deze eis in die onderneming (…). (…) 3. De periode, bedoeld in het eerste lid, kan in bijzondere gevallen met maximaal zes maanden worden verlengd. (…) Artikel 125 Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien: a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning." 2.2 Bij de beoordeling van deze zaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. - Verzoeker heeft op 8 maart 2000 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet. - Bij besluit van 14 juni 2001 (*) heeft verweerder verzoeker voor onbepaalde tijd vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoersgebied AZAM. In de bijlage bij dit besluit staat vermeld dat in deze taxionderneming door verzoeker gebruik wordt gemaakt van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 125 van het Bp2000. Deze overgangsmaatregel houdt in dat verzoeker tot 1 juli 2001 aan de vakbekwaamheidseis als bedoeld in artikel 28 van het Bp2000 voldoet. - Bij brief van 2 juli 2001 heeft verweerder verzoeker verzocht binnen drie weken aan te tonen dat hij aan de eis van vakbekwaamheid voldoet. - Naar aanleiding van door verzoeker op 17 juli 2001 ingediende bewijsstukken, waaruit naar voren komt dat hij wacht op bekendmaking van examenuitslagen en de reeds behaalde diploma's nog dient om te wisselen bij het SEP, heeft verweerder verzoeker bij brief van 11 september 2001 medegedeeld dat het in een eerder stadium aan hem geuite voornemen tot intrekking van de vergunning voor het verrichten van taxivervoer tot 1 februari 2002 wordt opgeschort. - Bij brief van 22 februari 2002 heeft verweerder verzoeker van het voornemen tot intrekking van de vergunning in kennis gesteld en verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen twee weken zijn zienswijze ten aanzien van dit voornemen kenbaar te maken. - Bij besluit van 11 maart 2002 (**) heeft verweerder besloten de aan verzoeker bij besluit van 23 oktober 2000 verleende vergunning met ingang van 11 juni 2002 in te trekken, omdat verzoeker niet voldoet aan de in artikel 28, eerste lid, van het Bp2000 neergelegde eis van vakbekwaamheid. - Tegen dit besluit heeft verzoeker op 21 maart 2002 bezwaar gemaakt. - Bij brief van 24 februari 2003 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat is besloten om de aan verzoeker verleende vergunning ambtshalve te wijzigen in die zin dat de intrekking van de vergunning eerst in werking treedt zeven weken na de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist. - Op 13 maart 2003 is verzoeker naar aanleiding van zijn bezwaren door verweerder gehoord. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. - Bij brief van 8 augustus 2003 heeft verweerder verzoeker vervolgens verzocht het vergunningbewijs bij verweerder in te leveren. 3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Verzoeker is in ruime mate tijd geboden om aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. De hier van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn op 1 januari 2000 van kracht geworden en vanaf dat moment wist verzoeker, althans kon hij weten, dat hij aan de eis van vakbekwaamheid moest voldoen. In het vergunningverlenende besluit van 14 juni 2001 is voorts aangegeven dat de vergunning voor het verrichten van taxivervoer werd verleend onder de voorwaarde dat uiterlijk per 1 juli 2001 de vakbekwaamheid dient te worden aangetoond. Verder heeft verzoeker reeds uitstel tot 1 februari 2002 gekregen voor het voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en is hangende de bezwaarprocedure besloten de intrekking van de vergunning eerst te laten ingaan zeven weken nadat op het bezwaarschrift is beslist, dus zeven weken ná 17 juni 2003. Verzoeker is derhalve gewaarschuwd dat intrekking van de hem verleende vergunning een reële optie was. De door verweerder in het onderhavige geval aan verzoeker toegestane periode voor het behalen van het vakdiploma moet toereikend worden geacht, mede gelet op de indicatie die de wetgever in artikel 29 van het Bp2000 heeft gegeven. In dat artikel is neergelegd dat in het geval dat de vakbekwaam leidinggevende persoon binnen een taxionderneming is overleden, degene die het bedrijf wenst voort te zetten maximaal anderhalf jaar de tijd wordt geboden zelf de vakbekwaamheid te verwerven. Verzoeker heeft in casu meer dan die anderhalf jaar de tijd gehad. Desondanks heeft verzoeker aangegeven dat hij nog in twee modules van het AOV-diploma voor het examen moet slagen. Verweerder ziet geen aanleiding verzoeker nogmaals een termijn te geven om aan de eis van vakbekwaamheid te gaan voldoen. Dat verzoeker al sinds begin 1996 als taxichauffeur werkzaam is, waarvan vanaf 1999 als zelfstandig taxiondernemer, dat hij van onbesproken gedrag is en een tevreden klantenkring heeft, alsmede dat hij onder meer in het bezit is van een door OLT-AZAM afgegeven taxichauffeursdiploma en het diploma handelskennis ambulante handel, vormt geen aanleiding de intrekking van de vergunning achterwege te laten. De toepasselijke wettelijke voorschriften bieden geen ruimte om vakbekwaamheid aan te nemen enkel op grond van kennis of ervaring van verzoeker als door hem gesteld. Verzoeker heeft geen getuigschrift of verklaring in de zin van artikel 28 van het Bp2000 overgelegd, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat hij aan de eis van vakbekwaamheid voldoet. Indien verzoeker van mening is dat het diploma handelskennis ambulante handel in de plaats kan treden van het AOV-diploma, had hij daartoe een verzoek om vrijstelling van de verplichting tot het behalen van het AOV-diploma moeten indienen bij de stichting die tot verlening van dergelijke vrijstellingen bevoegd is. Aangezien in de aanvraag om een taxivergunning noch op enig ander moment in de voorfase van het primaire besluit tot intrekking van de taxivergunning sprake is geweest van invulling van de eis van vakbekwaamheid in de onderneming van verzoeker door procuratiehouder B en verzoeker daarentegen vanaf het begin te kennen heeft gegeven zelf aan de eis van vakbekwaamheid te gaan voldoen door middel van het vakdiploma, leent de omstandigheid dat B in het bezwaarschrift van 20 maart 2002 als vakbekwaam leidinggevende persoon ten tonele wordt gevoerd zich niet voor behandeling in bezwaar. Met de inbreng van de vakbekwaamheid door middel van een procuratiehouder wijzigt de structuur van de onderneming van verzoeker dusdanig dat daartoe een nieuwe aanvraag voor een vergunning moet worden ingediend, welke vervolgens zal worden beoordeeld. Bij die beoordeling zal dan getoetst worden aan de op 29 januari 2003 gepubliceerde beleidsregel en zal inhoudelijk kritisch worden bekeken of de vakbekwaam leidinggevende permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer binnen de taxionderneming van verzoeker. Het is alsdan aan verzoeker om aan te tonen dat hieraan invulling wordt gegeven. Verweerder heeft niet in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In de door verzoeker genoemde ondernemingen, voorzover traceerbaar, was ten tijde van de vergunningverlening sprake van inbreng van de vakbekwaamheid door een vakbekwaam procuratiehouder. Verzoeker heeft echter steeds aangegeven zelf aan de eis van vakbekwaamheid te willen voldoen door het behalen van het vakdiploma. Van gelijke gevallen is derhalve geen sprake. Voorts heeft verweerder zich evenmin schuldig gemaakt aan rechtsongelijkheid of willekeur. Er is geen sprake van een overgangsregeling op grond waarvan tot 1 januari 2005 taxivervoer kan worden verricht zonder dat wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet zijn ongeveer 1.500 vergunningen verleend aan eenmanszaken waarin de vakbekwaamheid door een procuratiehouder werd ingebracht. Gelet op ervaringen van verweerder dat binnen dergelijke ondernemingen de vakbekwaam leidinggevende lang niet altijd permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, is besloten naar deze ondernemingen nader onderzoek in te stellen. In verband met de voorhanden zijnde capaciteit bij verweerder worden jaarlijks 650 dossiers onderzocht. Indien uit zulk een onderzoek blijkt dat binnen een taxionderneming niet aan de gestelde eisen wordt voldaan, wordt een procedure tot intrekking van de vergunning opgestart. In de hiervan wel te onderscheiden gevallen die vergelijkbaar zijn met de situatie van verzoeker, dus waarbij op basis van de overgangsregeling de vakbekwaamheid tot 1 juli 2001 kon worden aangetoond, is inmiddels in alle gevallen nader onderzoek gedaan en zijn de procedures tot intrekking van de vergunningen in gang gezet indien werd vastgesteld dat de betrokken ondernemer zelf niet vakbekwaam is en niet anderszins in de vakbekwaamheid is voorzien. Indien door de onderneming van verzoeker taxivervoer wordt verricht, terwijl binnen die onderneming niet wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid, maakt verzoeker zich, gelet op het bepaalde in artikel 103 juncto artikel 4 van de Wet schuldig aan een misdrijf. 4. Het standpunt van verzoeker Ter ondersteuning van zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoeker onder meer het volgende aangevoerd. Het spoedeisend belang van de gevraagde voorlopige voorziening is gelegen in de omstandigheid dat verzoeker vanwege de intrekking van zijn taxivergunning niet meer als zelfstandig taxichauffeur kan werken en dientengevolge geen inkomsten meer genereert. Verzoeker lijdt als gevolg van de uitvoering van het bestreden besluit onevenredig nadeel. Bij zijn besluitvorming heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan de individuele situatie van verzoeker. Verzoeker is vanaf februari 1996 als taxichauffeur in loondienst werkzaam geweest en is sinds augustus 1999 zelfstandig ondernemer in de taxibranche. Hij heeft ruime ervaring met taxivervoer, is van onbesproken gedrag, ontvangt nimmer klachten vanuit zijn - voor een deel vaste - klantenkring en behaalt goede ondernemingsresultaten. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de inspanningen die verzoeker zich heeft getroost om aan de eis van vakbekwaamheid te (gaan) voldoen en heeft daarmee in strijd gehandeld met zijn aan verzoeker bij brief van 2 juni 2001 gedane mededeling dat de duur van de overgangsperiode voor het voldoen aan de eis van vakbekwaamheid mede afhankelijk is van de inspanningen die verzoeker heeft gedaan om alsnog aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. In mei 2001 heeft verzoeker het diploma Branchegerichte Ondernemersvaardigheden (BOV) behaald en vervolgens is zijn naam op een wachtlijst geplaatst voor het volgen van de cursus Algemene Ondernemersvaardigheden (AOV). Inmiddels heeft hij drie van de vijf modules van de AOV-opleiding met voldoende resultaat afgesloten. Alleen de examens in de modules financiële administratie en financieel management heeft hij tot nu toe niet met goed gevolg afgelegd. Hij heeft hiervoor bijlessen bij de docent gevolgd. Op 6 september jl. heeft hij weer beide examens afgelegd, maar de uitslagen daarvan zijn thans nog niet bekend. Verzoeker is ervan overtuigd dat hij is geslaagd. Desondanks zal hij voor alle zekerheid op 4 oktober 2003 nogmaals examen doen. Deze door verzoeker verrichte inspanningen zouden voor verweerder aanleiding hebben moeten vormen verzoeker tot medio december 2003 vrijstelling te verlenen van de eis van vakbekwaamheid. Verzoeker is sedert 19 december 1996 in het bezit van het taxidiploma voor de AZAM-regio. Bovendien is hij sinds 15 februari 1986 in het bezit van het diploma handelskennis ambulante handel, welk diploma gelijkgesteld kan en dient te worden met de ontbrekende modules van het AOV-diploma. Het nog enige tijd doorrijden van verzoeker als taxichauffeur zonder het AOV-diploma levert hierdoor geen problemen op. Omdat verzoeker twee modules van het AOV-diploma nog niet met succes heeft afgelegd, heeft hij met ingang van 1 maart 2002 een procuratiehouder, B, in de arm genomen om binnen zijn taxionderneming de vakbekwaamheid in te brengen. Het procuratiehouderschap van B zal duren tot het moment dat verzoeker zelf aan de eis van vakbekwaamheid voldoet. B is een zeer ervaren taxichauffeur die zich onder meer met de financiële aspecten binnen de taxionderneming van verzoeker bezighoudt. Momenteel wordt binnen de taxionderneming van verzoeker dus voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. Verzoeker heeft bij verweerder geen aanvraag voor een taxivergunning ingediend waarbij sprake is van inbreng van de vakbekwaamheid door procuratiehouder B. Met de intrekking van de taxivergunning van verzoeker handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel en is sprake van willekeur. Verzoeker verwijst in dit verband naar enkele taxiondernemingen ten aanzien waarvan verweerder niet is overgegaan tot intrekking van de vergunning, terwijl de eigenaren van die taxiondernemingen ook niet in het bezit zijn van het AOV- en/of BOV-diploma. Het is aan verweerder om aan te tonen dat niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld. 5. De beoordeling van het verzoek Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover de daartoe uitgevoerde toetsing in het navolgende een oordeel meebrengt over de zaak ten gronde, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. De voorzieningenrechter staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht de intrekking van de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende. Ingevolge artikel 6, tweede lid juncto artikel 9, eerste lid, van de Wet kan een vergunning voor het verrichten van taxivervoer worden ingetrokken indien een vervoerder niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid. Op grond van artikel 28, eerste lid, juncto artikel 125, van het Bp2000 kon door de vervoerder die taxivervoer verricht tot 1 juli 2001 aan de eis van vakbekwaamheid worden voldaan indien aan bepaalde in laatstgenoemd artikel neergelegde voorwaarden werd voldaan. Vanaf 1 juli 2001 dient een vervoerder die taxivervoer verricht en gebruik heeft gemaakt van de in artikel 125 van het Bp2000 opgenomen overgangsregeling, op grond van artikel 26, eerste lid van het Bp2000 aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. Hieraan kan, voorzover hier van belang, ingevolge artikel 28, eerste lid, sub a, van het Bp2000 worden voldaan door het aan verweerder overleggen van een door verweerder erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens, waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door verweerder vastgestelde onderwerpen. Verzoeker heeft aan verweerder geen getuigschrift als bedoeld in artikel 28, eerste lid, sub a, van het Bp2000 overgelegd. Hieruit volgt dat verweerder grond had om te kunnen besluiten de aan verzoeker verleende vergunning in te trekken, omdat niet is voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. De stelling van verzoeker dat het door hem in 1986 behaalde diploma handelskennis ambulante handel gelijkgesteld kan worden met het AOV-diploma en hij mitsdien geacht moet worden aan de gestelde eisen voor afgifte van een getuigschrift als bedoeld in vermeld artikel 28 van het Bp2000 te voldoen, doet hier niet aan af, nu - gelijk verweerder heeft betoogd - niet gebleken is dat het daartoe bevoegde orgaan hem vrijstelling heeft verleend van het afleggen van AOV-deelexamens in verband met dit door hem in 1986 behaalde diploma. Verzoeker heeft aangevoerd dat schorsing van het bestreden besluit geboden is, omdat hij op 6 september 2003 examen heeft gedaan voor de ontbrekende AOV-deeldiploma's 'financiële administratie' en 'financieel management'. Hij gaat ervan uit dat hij deze examens met goed gevolg heeft afgelegd en aldus zeer spoedig aan de eis van vakbekwaamheid zal kunnen voldoen. De voorzieningenrechter volgt dit betoog van verzoeker niet. Vanaf het moment van inwerkingtreding op 1 januari 2001 van de Wet wist verzoeker, althans behoorde hij te weten, dat hij vóór 1 juli 2001 aan de eis van vakbekwaamheid moest voldoen. Tot op heden heeft hij echter, voorzover bekend, twee AOV-deelexamens (nog) niet met een positief resultaat afgelegd, terwijl hij door verweerder bij het verleningsbesluit van 14 juni 2001 en bij brief van 11 september 2001 uitdrukkelijk erop is gewezen dat hij de vereiste diploma's dient te behalen. Verweerder heeft verzoeker vervolgens ruim de tijd geboden om hieraan te voldoen. De gevolgen van het niet (tijdig) behalen van de vereiste AOV-deeldiploma's komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geheel voor rekening en risico van verzoeker. Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat verzoeker sedert december 1996 als taxichauffeur in loondienst en vanaf 1999 als zelfstandig ondernemer werkzaam is, van onbesproken gedrag is, nimmer klachten vanuit zijn klantenkring ontvangt, alsmede goede ondernemingsresultaten behaalt. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat binnen zijn onderneming wel aan de vakbekwaamheidseis wordt voldaan, namelijk door de inbreng van de vakbekwaamheid van procuratiehouder B. Volgens verzoeker zou B sinds 1 maart 2002 zijn vakbekwaamheid inbrengen in de onderneming van verzoeker. Terecht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat de betekenis die aan een dergelijke inbreng zou kunnen toekomen, voor de beslissing op bezwaar niet van belang is. Indien verzoeker de vakbekwaamheid binnen zijn onderneming door procuratiehouder B wenst te laten inbrengen, dient hij hiertoe bij verweerder een afzonderlijke aanvraag in te dienen die alsdan door verweerder zal moeten worden beoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de stellingen van verzoeker aangaande de vermeende schending door verweerder van het gelijkheidsbeginsel en diens handelen in strijd met het verbod van willekeur voldoende weersproken. Anders dan verzoeker heeft betoogd, ligt het niet op de weg van verweerder om aan te tonen dat niet in strijd met vorenvermelde beginselen is gehandeld, doch is het aan verzoeker dit voldoende te onderbouwen. Daarin is verzoeker echter niet geslaagd. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb. 6. De beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003. w.g. W.E. Doolaard w.g. M.S. Hoppener