Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN9106

Datum uitspraak2003-11-11
Datum gepubliceerd2003-11-28
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers56986 FA RK 03 1635 & 57798 FA RK 03 1902
Statusgepubliceerd


Indicatie

Twee zaken bevoegd verklaren om proceseconomische redenen, alsook ontvankelijk verklaren eenzijdig verzoek om gezamenlijk gezag.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Zesde enkelvoudige kamer Beschikking: 11 november 2003 Zaaknummer: 56986 FA RK 03 1635 & 57798 FA RK 03 1902 Beschikking in de zaken van: [verzoeker], verder te noemen de vader, wonende te [plaats], gemeente [plaats], procureur: mr. E.G.M. Wiggers, advocaat: mr. S. Kromdijk te Hoogeveen, en [verweerder], verder te noemen de moeder, wonende te [plaats], procureur: mr. G.F.M.G. Heutink. Het verloop van de procedure Dit verloop blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 september 2003 (56986 FA RK 03 1635); - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2003 (57798 FA RK 03 1902); - het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2003 (56986 FA RK 03 1635); - het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2003 57798 FA RK 03 1902); - het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 28 oktober 2003, waarin de zaken gevoegd zijn behandeld. De vaststaande feiten Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] te [plaats] geboren de minderjarige [kind]. De vader heeft, blijkens de akte van erkenning, de minderjarige erkend en gekozen is voor de geslachtsnaam [naam]. De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. De relatie van partijen is op 14 oktober 2002 beëindigd. Het verzoek (56986 FA RK 03 1635) De vader verzoekt dat de rechtbank een omgangsregeling zal vaststellen, aldus dat de minderjarige eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend tot aan schooltijd, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen bij hem zal verblijven, althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie juist acht. De vader voert daartoe aan dat vanaf het moment van beëindiging van de relatie partijen in onderling overleg een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige hebben vastgesteld. Thans is evenwel een situatie ontstaan waarin partijen geen volledige overeenstemming kunnen bereiken over de wijze waarop de omgang plaats moet vinden. Het verzoek (57798 FA RK 03 1902) De vader verzoekt dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat hij en de moeder gezamenlijk zullen worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Hij voert daartoe aan dat het in het belang is van de minderjarige dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag worden belast. Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 5 februari 2003 is door het Hof bepaald dat de wettelijke onmogelijkheid om als ouder het gemeenschappelijk ouderlijk gezag te verzoeken een inmenging is op het recht van eerbiediging van 'family life'. Het verweer (56986 FA RK 03 1635) De moeder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek, dan wel tot afwijzing van zijn verzoek, voor zover het verzoek van de vader een ruimere omgangsregeling betreft dan nu tussen partijen geldt, kosten rechtens. Het verweer (57798 FA RK 03 1902) De moeder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader, dan wel tot afwijzing van zijn verzoek, kosten rechtens. Zij voert daartoe aan dat communiceren over hun beider kind in het geheel niet mogelijk is. De spanningen tussen partijen zijn dermate groot, dat het niet mogelijk is dat partijen rechtstreeks overleg voeren. Over helemaal niets. Dus ook niet over zaken die de verzorging en opvoeding van de minderjarige betreffen. Uitsluitend schriftelijk overleg, dan wel overleg door tussenkomst van een advocaat, is mogelijk. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad (56986 FA RK 03 1635 & 57798 FA RK 03 1902) De Raad geeft geen advies terzake het verzoek van de vader tot een gezamenlijk ouderlijk gezag, maar wil slechts opmerken dat hij zich afvraagt hoe de ouders praktisch uitvoering wensen te geven aan het ouderlijk gezag, nu een overleg tussen hen bijna niet mogelijk is. Met betrekking tot de omgangsregeling stelt de Raad dat een weekeindregeling geen enkel probleem behoeft op te leveren voor de minderjarige, mits de ouders zodanige omstandigheden voor de minderjarige scheppen dat de minderjarige zonder voelbare spanningen hieraan plezier kan beleven. Zo lang de ouders krampachtig met elkaar om blijven gaan, zal de minderjarige lijden onder deze spanningen, zal dit op de lange duur haar kunnen gaan schaden en komt zij klem te zitten tussen haar ouders. De Raad adviseert de ouders om hun ouderlijke verantwoordelijkheid ten opzichte van hun beider kind te nemen en haar gelegitimeerd laten profiteren van een volwaardig contact met beide ouders. De beoordeling met betrekking tot de rechtsmacht en de ontvankelijkheid Op grond van artikel 1:377a lid 4 juncto artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek is deze rechtbank bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling (ingediend op 9 september 2003). De rechtbank zal wegens verknochtheid van de onderwerpen de zaken onder nummers 56986 FA RK 03 1635 & 57798 FA RK 03 1902 gevoegd behandelen en beslissen, nu tussen deze onderwerpen van de respectieve verzoekschriften een zodanige samenhang bestaat, dat die om redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde kamer rechtvaardigt. Om vorengenoemde proceseconomische redenen oordeelt de rechtbank zich terzake beide verzoeken, in casu het verzoek tot vaststellen van de omgangsregeling en het verzoek tot gezamenlijk gezag (ingediend op 14 oktober 2003), bevoegd, temeer nu de moeder de bevoegdheid inzake het verzoek tot gezamenlijk gezag niet heeft betwist. Ter terechtzitting heeft de moeder zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag. Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet niet in waarom een verzoek als het onderhavige (een verzoek ex artikel 1:253o Burgerlijk Wetboek) alleen zou kunnen worden ingediend op gemeenschappelijk verzoek. Immers die partijen die niet van rechtswege dan wel na een rechterlijke beslissing zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag, zouden dan nimmer in aanmerking kunnen komen voor dat gezamenlijk gezag, wanneer de van rechtswege gezaghebbende ouder hier niet mee instemt. Zo een blokkade vormt naar het oordeel van de rechtbank een niet gerechtvaardigde inmenging van de wetgever in het gezinsleven ('family-life') van de niet-verzorgende ouder en zijn kind, in casu de vader en zijn dochter, in de zin van artikel 8 EVRM. De rechtbank oordeelt de vader gelet op het voorgaande ontvankelijk in zijn verzoek en zal dit inhoudelijk beoordelen als volgt. met betrekking tot het verzoek tot gezamenlijk gezag In geval van gezamenlijk gezag nemen de ouders een gelijkwaardige positie in ten opzichte van hun kind. Zij hebben immers beiden het gezag en nemen samen beslissingen over belangrijke zaken aangaande de minderjarige. Een kind heeft geen schuld aan het uiteengaan van de ouders en is er bij gebaat dat beide ouders een rol van betekenis in zijn/haar leven vormen. De positie van de niet gezaghebbende ouder is een zwakkere. Een ouder die alleen het gezag heeft, dient de andere ouder weliswaar te consulteren bij het nemen van belangrijke beslissingen aangaande de minderjarige, uiteindelijk is de gezaghebbende ouder degene die beslist. Bij het voortduren van het gezamenlijk gezag is gelijkwaardige betrokkenheid van beide ouders in beginsel gegarandeerd. Omdat de vader tegenover de onvoldoende gemotiveerde betwisting van de moeder, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een gezamenlijk ouderlijk gezag niet in strijd is met de belangen van de minderjarige, zal de rechtbank het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten toewijzen. Hetgeen de moeder heeft aangevoerd is onvoldoende zwaarwegend om gezamenlijk ouderlijk gezag in strijd met het belang van de minderjarige te achten. Weliswaar is gebleken van spanningen en een niet optimale communicatie tussen partijen, maar verwacht mag worden dat daarin verbetering zal ontstaan. Partijen dienen gezamenlijk vanuit hun ouderlijke verantwoordelijkheid en zonodig met deskundige hulp te werken naar een situatie waarin voor de minderjarige rust bestaat, zodat zij zich evenwichtig verder kan ontwikkelen en zo min mogelijk schade oploopt van het uiteengaan van haar ouders. Daarbij dient respect voor elkaar als ouders, ieder met hun eigen rol voorop te staan. De vader zal daarbij oog behoren te hebben voor de rol en taken van de moeder als de verzorgende en opvoedende ouder, terwijl de moeder oog dient te hebben voor de rol die de vader in het leven van de minderjarigen vervult en in de toekomst zal vervullen. met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling Partijen zijn ter terechtzitting een omgangsregeling overeengekomen, alsmede inhoudende een opbouwfase, met dien verstande dat beide ouders hierin enige concessies hebben moeten doen. De rechtbank zal, in het belang van de minderjarige, conform de overeenstemming van partijen beslissen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat van de ouders verwacht wordt dat zij hun ouderlijke verantwoordelijkheid nemen. Dat betekent in de praktijk dat voor de minderjarige zodanige omstandigheden moeten worden gecreëerd dat zij zich vrij voelt en dat zij de ruimte krijgt om een goed contact met beide ouders te hebben en te onderhouden. De beslissing De rechtbank: belast de vader en de moeder gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum] te [plaats]; bepaalt het recht van omgang tussen de vader en de minderjarige aldus, dat de minderjarige - een weekeinde per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zal verblijven; - vanaf mei 2004 een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zal verblijven en éénmaal per kwartaal, steeds het eerste weekeinde van het kwartaal, van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend, waarbij de vader de minderjarige naar school brengt; bepaalt dat partijen de vakanties in onderling overleg zullen regelen; compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. R. Krijger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.