Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN9161

Datum uitspraak2003-11-26
Datum gepubliceerd2003-12-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAWB 03/450
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aan eiser is met ingang van 25 november 2002 een uitkering WW toegekend. Tevens bevat het besluit de vaststelling dat eiser vanaf het moment dat hij wist dat hij werkloos zou worden tot en met 1 december 2002 onvoldoende sollicitatie-activiteiten heeft verricht. Daaraan is toegevoegd de mededeling dat verweerder de uitkering niet zal korten maar volstaat met een waarschuwing. Tevens wordt eiser er op gewezen dat hij tenminste 1 sollicitatie per week dient te verrichten, ook al heeft hij een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing inzake de WAO-uitkering.


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Reg.nr.: AWB 03/450 UITSPRAAK in het geschil tussen: A, wonende te B, eiser, gemachtigde: mr. M.G. Liebrand, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor UWV Gak Zwolle), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 4 maart 2003. 2. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 11 december 2002 heeft verweerder eiser meegedeeld, dat hij met ingang van 25 november 2002 recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Tegen dit besluit is op 21 januari 2003 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Op 10 april 2003 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 2 juni 2003 een verweerschrift ingezonden. Het beroep is op 11 november 2003 ter zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling, beambte bezwaar en beroep in dienst van verweerder. 3. Motivering Blijkens de gedingstukken ontvangt eiser een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering met ingang van 25 november 2002 wordt betaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Bij besluit van 11 december 2002 is aan eiser met ingang van 25 november 2002 een uitkering WW toegekend. Tevens bevat het besluit de vaststelling dat eiser vanaf het moment dat hij wist dat hij werkloos zou worden tot en met 1 december 2002 onvoldoende sollicitatie-activiteiten heeft verricht. Daaraan is toegevoegd de mededeling dat verweerder de uitkering niet zal korten maar volstaat met een waarschuwing. Tevens wordt eiser er op gewezen dat hij tenminste 1 sollicitatie per week dient te verrichten, ook al heeft hij een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing inzake de WAO-uitkering. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar richt zich tegen de mededeling in het besluit dat eiser tenminste één sollicitatie per week dient te verrichten. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat het gaat om een mededeling van een bepaling in algemene zin, welke mededeling niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld, dat de passage over de sollicitatieverplichting op rechtsgevolg is gericht en derhalve als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb dient te worden gezien. Als eiser zich aan deze verplichting niet houdt, wordt immers een maatregel opgelegd, nu een waarschuwing bij hetzelfde besluit al is gegeven. Eiser kan zich ook niet vinden in de stelling dat het gaat om een mededeling van een bepaling in algemene zin. Tenslotte geeft eiser nog aan dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, op grond waarvan de motivering van het besluit tekort schiet. De vraag is, of het besluit van verweerder in rechte stand kan houden. De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen de mededeling dat de verzekerde tenminste één sollicitatie per week dient te verrichten niet als een besluit kan worden aangemerkt. Het gaat dan immers om informatie over de verplichtingen die ingevolge het beleid van verweerder als regel verbonden zijn aan het recht op uitkering. Dat wordt niet anders als die mededeling is vervat in dezelfde brief als waarin het besluit inzake het recht op uitkering is opgenomen. In dit geval gaat het echter om meer dan een louter informatieve mededeling. In de eerste plaats is die mededeling gekoppeld aan de vaststelling dat eiser tot dan toe tekort is geschoten in zijn inspanningsverplichting om werk te vinden met daaraan verbonden een waarschuwing. Die waarschuwing kan in de gegeven context niet anders worden verstaan dan als een mededeling dat eiser, als hij nalatig blijft om één sollicitatie per week te verrichten, een sanctie tegemoet kan zien. De toevoeging dat het indienen van een bezwaar tegen de WAO-beslissing dat niet anders maakt wijst er op dat verweerder zich de bijzondere omstandigheden van eiser bewust is geweest bij formuleren van de sollicitatieverplichtingen. Die bijzondere omstandigheden houden in dat eiser, voornamelijk vanwege zijn psychische problematiek, een zodanig grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft dat hij niet dan met hulp van een reïntegratiebedrijf en dan alleen nog op langere termijn (1 à 2 jaar) in staat geacht kan worden de arbeidsmarkt weer te betreden. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerder met de bedoelde zinsnede over de sollicitatieplicht het beleid (“in het algemeen één concrete sollicitatie per week”) heeft toegepast op de situatie van eiser en als standpunt heeft verwoord dat er geen reden is om hier van dat beleid af te wijken, niettegenstaande de bijzondere omstandigheden van eiser. Daarmee is concreet en toegespitst op omstandigheden van dit individuele geval vastgesteld welke inhoud de sollicitatieplicht hier heeft. Die vaststelling moet om die reden worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Voor die conclusie ziet de rechtbank te meer reden vanwege de bezwaren die verboden zijn aan het alternatief. Eiser zou immers, wil hij het oordeel van de rechter inroepen over de rechtmatigheid van de door verweerder geformuleerde sollicitatieplicht, het moeten laten aankomen op een maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten en daarover een procedure moeten gaan voeren. Daarbij riskeert eiser dan een maatregel van 20% korting over 16 weken. Dat is voor eiser onevenredig bezwarend te achten. Op grond van het voren overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. Het beroep treft mitsdien doel en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal alsnog inhoudelijk op het bezwaar van eiser hebben te beslissen nu overigens aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, zijnde de kosten van rechtsbijstand. 4. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, tot op heden begroot op € 322,-, te betalen door het UWV; - bepaalt dat het UWV aan eiser het griffierecht ad € 31,- vergoedt. Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2003 in tegenwoordigheid van mr. F. Ernens als griffier. Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. afschrift verzonden op