Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN9480

Datum uitspraak2003-10-07
Datum gepubliceerd2003-12-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers03/578 VEROR 229
Statusgepubliceerd


Indicatie

Rechter laat herplantplicht niet in stand. Rechter acht het besluit waarbij een herplantplicht is opgelegd onvoldoende zorgvuldig voorbereid en derhalve in strijd met het motiveringsbeginsel.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 03/578 VEROR 229 UITSPRAAK in het geding tussen: [Eiseres], eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 10 maart 2003. 2. Feiten Op 29 juli 2002 heeft verweerder aan eiseres een herplantplicht opgelegd voor 24 are bos. Op het perceel kadastraal bekend gemeente Winterswijk sectie V nr. 337 dient eiseres binnen 1 jaar de volgende soorten aan te planten: inlandse eik (40%), els (20%), berk (20%) en vuilbomen (10%) in de maten 60-80 cm en met een onderlings plantafstand van 150 x 150 cm. Op 2 september 2002 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend. Op 10 maart heeft verweerder de bestreden beslissing genomen en het besluit van 29 juli 2002 gehandhaafd. 3. Procesverloop Namens eiseres heeft dr. J. van Zundert beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 3 oktober 2003, waar namens eiseres zijn verschenen haar echtgenoot, bijgestaan door mr. M.A.A. Soppe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Bronkhorst en S. Wouters. 4. Motivering 4.1 Op grond van artikel 9 van de Kapvordening kan verweerder, indien houtopstand waarop het vellen als bedoeld in die verordening van toepassing is, zonder vergunning van verweerder is geveld, anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door verweerder te geven aanwijzingen binnen een door verweerder te stellen termijn. Ingevolge artikel 1 onder a wordt onder houtopstand begrepen hakhout, een houtwal of een of meer bomen. In de verordening is niet bepaald wat onder een boom moet worden verstaan en zijn bomen tot een bepaalde diameter niet uitgezonderd van de vergunningplicht. 4.2 Ingevolge artikel 9, vijfde lid, kan tegen bovenbedoeld besluit binnen dertig dagen beroep worden ingesteld bij de gemeenteraad. Met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur per 7 maart 2002 is beoogd per die datum beroep op de gemeenteraad tegen besluiten van een college van burgemeester en wethouders uit te sluiten. Verweerder heeft genoemd voorschrift dan ook terecht buiten toepassing gelaten en artikel 7, eerste lid, van de Awb van toepassing geacht. Verweerder was dan ook bevoegd omtrent het bezwaarschrift te beslissen en de omstandigheid dat eerst na dertig dagen na het besluit in primo bezwaar is gemaakt stond aan ontvankelijkheid niet in de weg. 4.3 De bezwaarschriftencommissie heeft overwogen: "Het kan niet zo kan zijn dat aan de herplantplicht wordt ontkomen door de aanplant, nadat zij is aangeslagen, maar nog voordat de stam een dikte van meer dan 10 cm heeft bereikt (want in dat geval is wel een kapvergunning vereist) eenvoudig te verwijderen." De herplantplicht waarop de commissie doelt betreft een verplichting tot een aanbrengen van vervangende beplanting aansluitend op een reeds eerder aangebrachte houtsingel in het westelijk deel van het kadastraal perceel F-3892 gemeente Winterswijk die bij besluit van 17 maart 1992 is opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Aalten in de vorm van een voorwaarde bij een aan de rechtsvoorganger van eiseres verleende vergunning voor het kappen van bomen op een ander perceel. Naleving van die voorwaarde behoort tot de zorg van dat college en verweerder kan aan dat besluit niet enige bevoegdheid ontlenen. Verweerder is dan ook slechts bevoegd toepassing te geven aan artikel 9 van de Kapverordening indien aan de aldaar bedoelde voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden is dat een kapvergunning is vereist. Die is volgens de bezwaarschriftencommissie (en impliciet verweerder) niet vereist indien, zoals in dit geval, de diameter van de stam nog geen 10 centimeter bedraagt. In de Kapverordening is het kappen van bomen met een diameter van niet meer dan 10 centimeter evenwel niet met zo veel woorden uitgezonderd van de vergunningplicht en verweerder is niet bevoegd zodanig uitbreiding aan de verordening te geven (AR 22 januari 1992, AB 1992/326). Er zal echter wel sprake moeten zijn van een houtgewas van enige betekenis (met een wortelgestel en een stam met vertakkingen) om van een boom te kunnen spreken. Beantwoord moet dan ook worden de vraag of ter plaatse bomen aanwezig waren en of deze geveld zijn dan wel op een andere wijze teniet zijn gegaan. Aan de rechtsvoorganger van eiseres is de verplichting opgelegd beplanting aan te brengen met een lengte van minimaal 80-100 cm en hij heeft Hacron te Lievelde d.d. 23 februari 1993 opdracht gegeven 1200 stuks 2-jarig loofhout (70 % eik, 30% els, es, berk en vuilboom) te leveren en te planten op het westelijk deel van het perceel Winterswijk F 3892 groot 2680 m2. Eiseres heeft Hacron op 15 februari 1994 opdracht gegeven 2000 m2 (tussen) jonge aanplant te maaien. Op een luchtfoto uit 1995 zijn drie stroken te zien met, naar het lijkt, een in dichtheid en hoogte afnemende vorm van begroeiing, waarbij de eerste strook een reeds lange tijd bestaande en de tweede strook de eerder (1989/1990) aangebrachte houtsingel (van 14 are) lijkt te zijn waarop in de kapvergunning van de gemeente Aalten wordt gedoeld. Op twee tamelijk donkere foto's genomen op 8 december 1995, met op de achtergrond de houtsingel, lijkt de derde strook te zijn begroeid met hoog opgaand gras en mogelijk hier en daar jonge aanplant. Op een luchtfoto uit 1996 lijkt de derde strook glad te zijn, hetgeen in elk geval in mei 2002 het geval was. Eiseres betwist de stelling van verweerder dat de derde strook sinds dat eiseres eigenaresse is, voorzien is geweest van jonge aanplant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende bewijs geleverd voor zijn stelling op dit punt. De foto's geven geen antwoord op de vraag of bomen aanwezig waren waarvan het kappen vergunningplichtig was en verweerder heeft de heren Oonk en Geurkink, die volgens eiseres kunnen verklaren dat zulks niet het geval is, niet gehoord. Verder bevinden zich is het dossier geen verklaringen van omwonenden waaruit kan worden afgeleid dat op de betreffende strook bomen stonden en de bewoners van het pand dat in het verlengde van die strook staat zijn in het geheel niet gehoord. Aan de maaiopdracht van 15 februari 1994 kan niet de betekenis worden toegekend die verweerder daaraan heeft toegekend nu deze niet noodzakelijkerwijs betrekking behoeft te hebben op die strook. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven en dat het daartegen ingestelde beroep gegrond dient te worden verklaard. 4.4 De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven. 5. Beslissing De rechtbank, recht doende: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres; - bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € EUR 116,- aan eiseres vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € EUR 644,-, te betalen door verweerders gemeente. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.